1. Antroposofie en economie

1.1 Rudolf Steiner: grondlegger van de antroposofie

Rudolf Steiner wordt in 1861 geboren in Kraljevec, ten noorden van Zagreb, aan de Oostenrijks-Hongaarse grens. In 1879 gaat hij naar Wenen, om natuurwetenschappen, wiskunde en filosofie te studeren. In 1891 promoveert Steiner in Rostock op het filosofische onderwerp 'Der Grundfrage der Erkenntnistheorie'.
In 1889 komt Steiner in Duitsland in aanraking met de theosofische beweging. Vanaf 1900 houdt hij regelmatig voordrachten binnen theosofische kring. In 1902 wordt de Duitse Theosofische Vereniging opgericht, waarvan Steiner secretaris-generaal wordt. Het wereldbeeld dat hij uit eigen (helderziende) waarneming opbouwt sluit steeds minder aan bij dat van de Theosofische Vereniging, reden waarom hij de Vereniging in 1913 verlaat en de Antroposofische Vereniging opricht, waarvoor hij tot zijn dood in 1925 werkzaam is.

[Steiner, 1980, pp. 415-422]
Steiner, R., 1980
Rudolf Steiner, an autobiography, 2nd ed., New York: Steinerbooks.
vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1961, Mein Lebensgang, 7de druk, Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 28.)

Steiner heeft zich in zijn leven met vele onderwerpen bezig gehouden: landbouw, pedagogie, architectuur, religie, etc. In zijn werk baseerde hij zich op zowel algemeen verspreide natuurwetenschappelijke kennis en inzichten, als op de resultaten van de geesteswetenschap, de antroposofie.
Volgens de antroposofie ligt de geestelijke wereld ten grondslag aan de materiële wereld. Aan het begin van het huidige 'wereldtijdperk' was er slechts die geestelijke wereld, bevolkt door levensvormen van diverse aard, elk met hun eigen kwaliteiten. Een kwaliteit die ontbrak was de vrijheid. Om deze kwaliteit in het universum te brengen was het nodig de mens te scheppen, een wezen dat afgescheiden van de geestelijke wereld tot ontwikkeling van de vrijheid zou komen.
In een aantal stappen werd een gebied in de geestelijke wereld verdicht tot materie (wat is voor te stellen als de verdichting van plasma, via gas en vloeistof tot vaste stof) en evolueerde gelijktijdig de mens als zelfstandig wezen. De wereld waarin wij thans leven is ongeveer op het toppunt van haar verdichting, terwijl gelijktijdig het menselijk bewustzijn vrijwel volledig van de geestelijke wereld is afgesneden. Deze condities maken dat de mens zich alleen voelt, geen 'goden' meer ervaart die hem vertellen wat te doen en dien ten gevolge zijn eigen keuzes moet maken. Kortom: hij heeft de vrijheid en wat hij doet hangt af van zijn eigen wil.
De antroposofie probeert de mens te leren zijn vrijheid met inzicht en verstand te hanteren. Daartoe is het nodig weet te hebben, niet alleen van de zintuigelijk waarneembare materiële wereld, maar ook van de geestelijke wereld.
Steiner publiceerde boeken en artikelen en hield duizenden voordrachten op vele plaatsen in Europa, zowel over alledaagse onderwerpen en menselijke activiteiten als over de geestelijke wereld. Het aantal titels (boeken en bundels van artikelen en voordrachten) dat hij op zijn naam heeft staan loopt in de honderden.

[Steiner, 1981]
Steiner, R., 1981
Theosofie - Inleiding tot de bovenzintuiglijke kennis van de wereld en van de bestemming van de mens, 10de druk
Zeist: Vrij Geestesleven
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1943, Theosophie - Einführung in Übersinnliche Welterkenntnis und Menschenbestimmung, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 9.)
[Steiner, z.j.]
Steiner, R., z.j.
De wetenschap van de geheimen der ziel, Zeist: Vrij Geestesleven.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., Die Geheimwissenschaft im Umriss, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 13.)
[Steiner, 1975]
Steiner, R., 1975,
De filosofie der vrijheid - Grondtrekken van een moderne wereldbeschouwing, 4de druk, Katwijk aan Zee: Servire.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., Z.J., Die Philosophie der Freiheit, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 4.)

1.2 Steiner en het sociale vraagstuk

Met name in de laatste jaren van zijn leven houdt Steiner zich intensief bezig met wat hij 'het sociale vraagstuk' noemt. Een eerste aanzet daartoe is het formuleren van de 'sociale hoofdwet', in 1905. In 1919, na de Wereldoorlog en de Russische Revolutie, en in een Duitsland waar een revolutionaire geest rondwaart, introduceert hij het begrip 'sociale driegeleding'.
Als kern van het sociale vraagstuk ziet hij de opgave voor de samenleving om drie levensgebieden in een harmonische samenhang te brengen en zo de 'sociale driegeleding' tot stand te brengen. Die drie levensgebieden zijn de cultuur (het geestesleven), de politiek (het rechtsleven) en de economie. Hierbij dient de sociale hoofdwet in acht te worden genomen.

1.2.1 De sociale hoofdwet

In 1905 publiceert Steiner drie artikelen over het sociale vraagstuk van de menselijke samenleving. In deze artikelen formuleert hij de zogenaamde sociale hoofdwet:

Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op de opbrengsten van zijn prestaties, dat wil zeggen, naarmate hij meer van deze opbrengsten aan zijn medewerkers afstaat en naarmate meer van zijn eigen behoeften niet door zijn eigen prestaties, maar door de prestaties van de anderen worden bevredigd.

[Steiner, 1982, pp.36-37]
Steiner, R., 1982,
Anthroposofie en het sociale vraagstuk - Drie artikelen uit 1905, Zeist: Vrij Geestesleven.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1977, Geisteswissenschaft und Soziale Frage, Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 34.)

Deze hoofdwet is volgens Steiner voor het sociale leven even absoluut en onontkoombaar als een natuurwet voor een gebied van de natuur. Hij waarschuwt er echter voor dat de hoofdwet niet als een moreel voorschrift moet worden opgevat en geeft aan dat "deze wet alleen van kracht [is] wanneer het een gemeenschap van mensen gelukt om zodanige inrichtingen in het leven te roepen, dat niemand de vruchten van zijn werkzaamheden voor zichzelf kan opeisen, maar dat deze, zo mogelijk in hun geheel, aan de gemeenschap ten goede komen."

[Steiner, 1982, p.37]
Steiner, R., 1982,
Anthroposofie en het sociale vraagstuk - Drie artikelen uit 1905, Zeist: Vrij Geestesleven.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1977, Geisteswissenschaft und Soziale Frage, Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 34.)

Met andere woorden: arbeidsdeling verhoogt het collectieve welzijn. Weliswaar is een gemeenschap van mensen er op aangewezen dat men voor elkaar zorgt, altruïstisch handelt, maar tegelijkertijd hebben de mensen de neiging zoveel mogelijk voor zichzelf in de wacht te slepen, egoïstisch te handelen. Deze egoïstische neiging doorkruist de werking van de sociale hoofdwet en moet onschadelijk worden gemaakt, wil de sociale hoofdwet volledig tot gelding komen.
Een beroep op de integriteit van de mensen is daartoe niet genoeg: de economie moet zó worden ingericht dat het onmogelijk wordt iets van de eigen inspanningen voor zichzelf op te eisen. Waar het dan op aankomt, is "dat werken voor je medemensen en een bepaald inkomen verkrijgen twee geheel van elkaar gescheiden zaken zijn".

[Steiner, 1982,p.37]
Steiner, R., 1982,
Anthroposofie en het sociale vraagstuk - Drie artikelen uit 1905, Zeist: Vrij Geestesleven.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1977, Geisteswissenschaft und Soziale Frage, Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 34.)

Een dergelijke inrichting voorkomt dat mensen de sociale arbeid (waarmee bedoeld is: arbeid die alleen door samenwerking met anderen mogelijk is) voor eigen gewin benutten, ten koste van de gemeenschap. De enige motivatie om voor de gemeenschap te werken is dan de wil om dat te doen.
Steiner wijkt hier duidelijk af van Adam Smith, die juist een grote waarde hecht aan het egoïstisch handelen van het individu. De invisible hand zorgt er dan voor dat het egoïstisch gedrag van alle individuen tezamen tot collectieve welvaart leidt. In zekere zin heeft Smith daarin ook gelijk, want het eigen gewin van het individu is er bij gebaat dat het individu zijn gedrag afstemt op de wensen van zijn medemens. Wanneer echter egoïstisch handelen een toename van de collectieve welvaart betekent met 10 eenheden, waarvan het individu zich er 5 kan toeëigenen, en altruïstisch handelen een toename van de collectieve welvaart met 20 eenheden betekent, waarvan het individu er slechts 2 krijgt, moge het duidelijk zijn welk alternatief het individu kiest. Het egoïstisch handelen leidt in dat geval tot een toename van de collectieve welvaart, maar die is kleiner dan het geval zou zijn bij altruïstisch handelen. Steiner is van mening dat het daarom onmogelijk zou moeten worden gemaakt om de resultaten van de eigen inspanning ook zichzelf toe te eigenen.
Een 'nuchtere economische theorie' is volgens Steiner niet in staat om zulk altruïstisch handelen tot stand te brengen; er is een werkelijk spirituele inrichting van de samenleving voor nodig, die rekening houdt met alle aspecten van de menselijke samenleving, niet alleen de economische. Daarbij is het vóór alles nodig, zo benadrukt hij keer op keer, dat mensen dat ook willen: "Alleen wanneer de mensen willen, kan de wereld zich verder ontwikkelen".

[Steiner, 1982, p.48]
Steiner, R., 1982,
Anthroposofie en het sociale vraagstuk - Drie artikelen uit 1905, Zeist: Vrij Geestesleven.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1977, Geisteswissenschaft und Soziale Frage, Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 34.)

1.2.2 De sociale driegeleding

De kernpunten van het sociale vraagstuk

Aan 'willen' ontbreekt het in 1905: Steiner krijgt nauwelijks reacties op zijn artikelen en laat het onderwerp rusten. De (Eerste) Wereldoorlog verandert zijn houding: hoewel er geen specifieke vragen uit zijn omgeving komen, richt hij zich opnieuw op het sociale vraagstuk. De wereld staat in brand: er is een oorlog gaande van ongekende omvang, er is revolutie in Rusland en na de oorlog heerst er ook in Duitsland een revolutionair klimaat. Steiner ziet dit alles als voortkomend uit het vasthouden aan achterhaalde denkbeelden: uit de neiging alle heil van de staat te verwachten en uit het miskennen van een eigen, zelfstandig oordeelsvermogen van individuele mensen.
In maart 1919 publiceert hij zijn "Oproep aan het Duitse volk en aan de overige mensheid" om tot nieuwe gedachten over de menselijke samenleving te komen. In april van dat zelfde jaar volgt "De kernpunten van het sociale vraagstuk".

[Steiner, 1988; voor de 'Oproep' zie pp.135-139]
Steiner, R., 1988,
De kernpunten van het sociale vraagstuk, Zeist: Vrij Geestesleven.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1920, Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft, 2de druk, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 23.)

In dit boek ontvouwt Steiner zijn gedachten over de drieledigheid van de samenleving, de zogenaamde "sociale driegeleding". Een kring van mensen rondom hem gaat hiermee aan de slag (waaruit onder meer de eerste Vrije School voortkomt), maar al spoedig zakt het animo in en stranden de pogingen om 'een driegelede samenleving' tot stand te brengen.

[Steiner, 1988, pp.7-11]
Steiner, R., 1988,
De kernpunten van het sociale vraagstuk, Zeist: Vrij Geestesleven.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1920, Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft, 2de druk, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 23.)

Sociale driegeleding

Steiner stelt dat de moderne (dat wil zeggen 20ste eeuwse) mens veel meer individu is dan de vroegere mens. Was het voor de (Europese) Middeleeuwer juist dat scholing en opvoeding (en daarmee het openbare geestesleven) in handen van de kerk lagen, voor de mensen van ná de Middeleeuwen was het noodzakelijk dat deze taken bij de staat werden ondergebracht. In de twintigste eeuw is het geestesleven inmiddels zover gerijpt, dat een voortgezette staatsbemoeienis schadelijk werkt. Het moderne geestesleven, de geestelijke ontplooiing van het individu, heeft autonomie nodig: opvoeding en onderwijs (waaruit het geestesleven zich ontwikkelt) dienen in bestuur en beheer te worden gegeven aan allen die daadwerkelijk opvoeden en onderwijzen. Noch staat, noch economie mogen daarin een stem hebben.
Maar ook de economie en de (rechts)staat dienen autonoom te worden. De economie heeft zijn eigen economische 'wetten'. Wanneer je in het economisch leven gaat ingrijpen vanuit de staat introduceer je wantoestanden, door verstrengeling van economische en politieke belangen. Wetten zijn niet in staat productie, circulatie en consumptie van waren juist te regelen; dat kunnen slechts mensen, met hun directe inzichten en belangen.
Steiner lijkt hier te doelen op het informatieprobleem zoals we dat kennen uit de centraal geleide economie van de Soviet Unie. De centrale planning door de staat heeft daar de werking van een wet. Voor de planner blijkt het echter onmogelijk alle behoeften en mogelijkheden te overzien, met als gevolg een slechte allocatie van inputs en outputs. Daarom is het noodzakelijk dat er voor het economische leven eigen vertegenwoordigende en besturende organen zijn die zich in hun belangen en besluiten uitsluitend laten leiden door de economische wetmatigheden.
Het derde te onderscheiden gebied in de moderne menselijke samenleving is de rechtsstaat. De rechtsstaat dient zich uitsluitend bezig te houden met het vormen van recht. Dit recht dient afhankelijk te zijn van het oordeel en de ervaring van ieder mondig mens. En hoewel de staat zich op geen enkele manier met het economisch leven zélf dient te bemoeien, is ze er wel toe geroepen om middels recht aan te geven waar de grenzen van het economische leven liggen.
Het economische leven heeft de neiging de mens op te gebruiken als een grondstof, hem zijn menselijkheid af te nemen. De industriële samenleving van de 19de eeuw is daarvan een schoolvoorbeeld. De staat dient dat te voorkomen door randvoorwaarden voor de economie te bepalen (zoals maximale arbeidstijden), die de mens een menswaardig bestaan garanderen. Binnen die randvoorwaarden dient de economie vrijgelaten te worden.
Hiermee schetst Steiner de 'driegelede' samenleving:

het geestesleven, waarin ieder mens werkzaam is naar eigen bijzondere vermogens, waarin zelfbeschikking thuis hoort en wat aansluit bij het ideaal van de vrijheid uit de Franse Revolutie

het rechtsleven, waarin ieder mondig mens een gelijke stem heeft (onafhankelijk van zijn talenten en economische positie), waarin ieder onder dezelfde wetten valt en wat aansluit bij het ideaal van de gelijkheid

het economische leven, waarin ieder, binnen het wettelijk kader, zijn deelbelangen behartigt en zijn bijdragen levert met betrekking tot het produceren, circuleren en consumeren van waren, waarin het gaat om samenwerken en wat aansluit bij het ideaal van de broederschap

Deze drie levensgebieden zijn te onderscheiden, maar niet te scheiden. Ze zijn voortdurend met elkaar in wisselwerking (ieder mens maakt immers deel uit van alledrie de levensgebieden). Die wisselwerking zou moeten gebeuren op de manier waarop souvereine staten met elkaar in wisselwerking zijn. Dat vereist dat elk van deze levensgebieden eigen bestuurlijke en wetgevende lichamen heeft, die zich uitsluitend en als enige met bestuur en regelgeving van het eigen levensgebied bezighouden.
In het geestesleven (met name in het onderwijs, dat Steiner als belangrijkste bron van vernieuwing in het geestesleven ziet) zou zo'n bestuur moeten bestaan uit allen, en niemand anders dan zij, die daarin werkzaam zijn.
In het rechtsleven is (parlementaire) democratie de juiste bestuursvorm, waarin alle mondige mensen een stem hebben.
In het economisch leven zou het bestuur moeten worden samengesteld uit mensen die vakkennis en vakbekwaamheid hebben op het gebied van de economie.
In de huidige samenleving (we schrijven 1919, maar dat geldt anno 1993 onverminderd) zijn de drie gebieden grondig verstrengeld. Eén van de opgaven van de moderne mens is om steeds opnieuw de verhoudingen tussen en binnen die drie gebieden te bepalen. "Het [sociale vraagstuk] is een bestanddeel van het gehele moderne culturele leven en zal dat, nu het eenmaal is ontstaan, blijven. Het zal op ieder ogenblik van de wereldhistorische ontwikkeling opnieuw moeten worden opgelost".

[Steiner, 1988,pp.13-25]
Steiner, R., 1988,
De kernpunten van het sociale vraagstuk, Zeist: Vrij Geestesleven.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1920, Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft, 2de druk, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 23.)
[R. Steiner, 1992, pp.46-49]
Steiner, R., 1992,
Sociale toekomst, Zeist: Vrij Geestesleven.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1977, Soziale Zukunft, 2de druk, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 332A.)

Werken in associaties

Herhaaldelijk wijst Steiner er op dat het economische proces zichzelf moet regelen, dat het eigen besturende en regelgevende organen nodig heeft. Daarvoor is nodig dat er algemene inzichten bestaan over hoe de economische processen zich voltrekken. Voor de practische uitvoering is het absoluut noodzakelijk dat die wordt overgelaten aan de mensen die middenin het economische proces staan: "Theorieën kunnen interessant zijn, maar het gaat er niet om dat u weet hoe in het algemeen handel wordt gedreven, maar het gaat erom, dat u weet hoe in Bazel en omgeving de produkten over en weer gaan. En wanneer u dat weet, dan weet u daarmee nog niet hoe in Lugano de produkten over en weer gaan. [...] Het oordeel dat in het economische leven gevormd moet worden, moet vanuit de concrete situatie gevormd worden."

[Steiner, 1986, p.8.9]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Om tot een juiste besturing en regeling van de economie te komen is het noodzakelijk dat mensen associaties vormen. Daaronder verstaat Steiner samenwerkingsverbanden van producenten, handelaren en consumenten uit de meest uiteenlopende branches. Zulke associaties hebben niets te maken met staatsgrenzen, volkeren etc., maar uitsluitend met economische inzichten. De omvang van associaties zal zich vanzelf regelen: te kleine zullen te kostbaar zijn en te grote te onoverzichtelijk. Een associatie is te beschouwen als een economische eenheid binnen de wereldeconomie, die in verbinding staat met andere eenheden, voor zover daar behoefte aan bestaat.

[Steiner, 1988, pp.20-21]
Steiner, R., 1988,
De kernpunten van het sociale vraagstuk, Zeist: Vrij Geestesleven.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1920, Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft, 2de druk, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 23.)
[Steiner, 1986, p.8.9]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Door de samenwerking in associaties en uit de inzichten van alle betrokkenen (of afgevaardigden daarvan), wordt binnen de associatie duidelijk hoeveel kapitaal er ingezet moet worden voor welke productie, of de prijzen juist zijn, of er meer of minder mensen nodig zijn in een bepaalde productie etc. De associatie regelt zijn eigen economische proces en heeft zijn eigen economische bestuur en regelgeving.
Deze associatie-organisatievorm is essentieel voor de samenlevingsinrichting die Steiner voor ogen staat.

1.3 Antroposofie en economie

Om zijn ideeën over de economie verder uit te werken, geeft Steiner in de zomer van 1919 een serie voordrachten voor een groep economiestudenten. Deze serie is niet bedoeld als een volledige economische theorie, maar als impuls voor verdere studie. Steiner grijpt voornamelijk terug op Smith, Ricardo, Marx en incidenteel op vertegenwoordigers van de Historische School. Zijn plan om later een nog uitgebreidere uiteenzetting over de economie te houden, ditmaal voor practici uit het economische leven, kan hij niet meer uitvoeren.

[Steiner, 1986]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

In zijn visie op de economie komt Steiner telkens terug op de verstrengeling van de drie levensgebieden. Hij stelt dat in het westerse kapitalisme, maar óók in het marxisme, het economische leven overheersend is. Het heeft zich veel sterker kunnen ontwikkelen dan het geestes- en rechtsleven. Het economische leven strekt zich uit tot in het geestes- en rechtsleven en allerlei aspecten van die twee gebieden worden de economie binnen getrokken. In het economische leven zouden slechts waren tegen waren geruild moeten worden. In de huidige praktijk zien we echter dat waren worden geruild tegen dingen die geen waren zijn in de economische betekenis van het woord. Het lijkt alsof er economische ruil plaats vindt, maar in werkelijkheid is er sprake van schijnruil, welke leidt tot sociale wantoestanden.
Een voorbeeld van een institutie waarin zo'n schijnruil plaatsvindt is de loonarbeid: de arbeider die zijn arbeid verkoopt aan de kapitalist, die productiemiddelen tot zijn beschikking heeft. Arbeid wordt geruild tegen geld. Nu is geld een abstractie van waren, maar arbeid is geen waar (arbeid zal later worden gedefinieerd als productiefactor). Bij loonarbeid vindt er dus een schijnruil plaats van waren tegen arbeid.
Wat zou moeten gebeuren is dat de ondernemer-kapitalist kapitaal (productiemiddelen) ter beschikking stelt waarop de arbeider zijn arbeid aanwendt en een waar produceert. De ondernemer koopt vervolgens deze waar van de arbeider en weet door zijn ondernemerstalent de waarde van de waar te verhogen (bijvoorbeeld door een goede afzetmarkt te vinden) en de waar te verkopen. De ondernemer-kapitalist betaalt dus niet de arbeid, maar de waar! Een waar (het product van de arbeider) wordt geruild tegen een waar (het geld dat de ondernemer-kapitalist er voor betaalt).
Dít is de werkelijke ruil die zou moeten plaatsvinden en in gezonde economische betrekkingen zou men zich bij de prijsbepaling op deze ruil van waren moeten richten en niet op de schijnruil van waren tegen arbeid.
Een institutie waarin het rechtsleven verstrengeld is met het economische leven is die van de handel in grond. Geld wordt geruild tegen grond. Ook hier is geld een abstractie van waren, maar grond is geen economische waar. Het is niet het resultaat van menselijke inspanning, maar een productiefactor. Bij grondhandel vindt dus een (schijn)ruil van waren tegen natuur plaats. En in wezen gaat het niet om de grond zelf (grond is niet consumeerbaar, dus wat moet je er mee?), maar om het beschikkingsrecht over de grond.
Grondbezit is uiteindelijk altijd terug te voeren op rechtsverhoudingen, niet op ruilverhoudingen. Ooit heeft iemand zich een stuk grond toegeëigend, er recht op verworven (dikwijls te vuur en te zwaard). Dit recht verschaft de rechthebber de comfortabele positie schenkingen te kunnen afdwingen, want wie gebruik wil maken van de grond kan hij daarvoor laten betalen. Deze grondrente heeft niets te maken met het ruilen van waren en dus niets met economische ruil. En wanneer de grond wordt 'verkocht', wordt in werkelijkheid het beschikkingsrecht over de grond overgedragen en dwingt de oorspronkelijke rechthebber nog één keer een som geld af.

[Steiner, 1986, pp.7.1-3]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Bij loonarbeid en grondhandel is de werkelijkheid heel anders dan we denken en daarom wordt er niet economisch gehandeld:

De enige ruil die werkelijk met economie te maken heeft is die van waren tegen waren. Alle andere vormen van ruil zijn niet economisch, maar hebben te maken met verstrengelingen van economisch, rechts- en geestesleven. Bij de loonarbeid is er een verstrengeling van economisch en geestesleven (arbeid is het inzetten van individuele vermogens en valt onder geestesleven). Bij de grondhandel gaat het om een verstrengeling van economisch en rechtsleven.
Bij werkelijk economische ruil spelen kapitaal en geld een belangrijke rol. Maar voordat die twee onderwerpen worden besproken moet er eerst iets worden gezegd over hoe Steiner de vorming van economische waarde ziet.

1.3.1 Wat is economie?

Over wat economie is, is Steiner kort: productie, circulatie en consumptie van waren, waardoor de menselijke behoeften worden bevredigd.

[Steiner, 1988, pp.20-21]
Steiner, R., 1988,
De kernpunten van het sociale vraagstuk, Zeist: Vrij Geestesleven.
vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1920, Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft, 2de druk, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 23.)

Een dergelijke aanduiding vraagt om verdere uitwerking.

Waren ontstaan door arbeidsdeling

Met waren bedoelt Steiner de dragers van economische waarde. Dat betekent dat waren in het economisch proces moeten zijn opgenomen. En dat betekent dat er sprake moet zijn van arbeidsdeling. Een vogel die graan verzamelt om zichzelf en haar jongen te voeden is niet bezig met economie, maar met levensuitingen. Evenzo is de mens die zich en de zijnen voedsel verschaft bezig met levensuitingen, niet met economie. Economie treedt pas op wanneer de ene mens het product van zijn arbeid uitwisselt met de andere mens: dán is er sprake van waren met economische waarde.

[Steiner, 1986, p.2.5]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

De juiste prijs voor die waren stelt de maker in staat in zijn behoeften te voorzien gedurende de tijd die hij nodig heeft om opnieuw een zelfde product te maken. Een dergelijke prijs is op de toekomst gericht, eigenlijk een vervangingswaarde. Het is de prijs die nagestreefd zou moeten worden.

[Steiner, 1986, p.6.1]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Productie: twee soorten waardevorming

Exploitatie van de bodem is het begin van alle economische bedrijvigheid. Zolang een mineraal nog in de bodem zit, of een vrucht nog aan de boom hangt, zolang hebben zij geen economische waarde. Die economische waarde verkrijgen ze pas doordat iemand de moeite neemt het mineraal te delven, de vrucht te plukken. De natuur op zich heeft geen economische waarde. Die ontstaat pas voor het eerst doordat iemand zijn arbeid met de natuur verbindt.
Dit is de eerste soort waardevorming - productie: arbeid werkt op natuur in. Landbouw komt dicht in de richting van zuivere waardevorming van de eerste soort.

[Steiner, 1986, pp.2.4-5]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

De tweede soort waardevorming treedt op wanneer 'geest' (Geist) op arbeid inwerkt. Arbeid op zich heeft geen economische waarde: wie traint op een hometrainer verricht een hoop arbeid, maar is niet economisch productief. Door de hometrainer aan te sluiten op een machine die iets maakt, wordt de arbeid productief gemaakt.
De menselijke geest, het denken, heeft zich dan met de arbeid verbonden en de arbeid daardoor productief gemaakt.
Kunst komt dicht in de richting van zuivere waardevorming van de tweede soort: de kunstenaar verbindt zijn geest met zijn arbeid en hanteert een minimum aan materialen en gereedschappen.

[Steiner, 1986, pp.2.6-7]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Maar ook op andere wijze kan geest op arbeid inwerken: degene die een wagen bouwt om arbeiders naar het veld te vervoeren, neemt een deel van hun arbeid over. Er is nu sprake van arbeidsdeling. Opnieuw heeft de geest zich met de arbeid verbonden, nu door arbeid over te nemen middels een wagen. De wagen is daarmee tot kapitaal geworden en draagt in zich de waarde van het product van de wandeling van de arbeiders naar het veld. Wanneer arbeid wordt gedeeld komt daar altijd kapitaal uit voort.

[Steiner, 1986, p.4.3]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Steiner noemt als productiefactoren de natuur, de menselijke arbeid en de geest, die altijd samen tot waardevorming leiden, soms meer in de richting van de eerste soort (door arbeid op natuur te laten inwerken), soms meer in de richting van de tweede soort (door geest op arbeid te laten inwerken). De eerste soort waardevorming manifesteert zich uiteindelijk in grondrente, de tweede soort waardevorming manifesteert zich in kapitaal. Kapitaal zelf is volgens Steiner geen productiefactor, althans geen primaire productiefactor.
Von Canal geeft aan dat het kapitaal de natuur verdringt in het economische proces. Natuur kan door arbeid worden bewerkt tot waren, maar wanneer de menselijke geest zich met dit proces verbindt, kan de natuur worden omgewerkt tot productiemiddel, kapitaal. Kapitaal is zo bekeken door geest doordrongen natuur. Dit kapitaal verdringt de natuur als grondslag voor de productie. Hiermee is het economische proces op een hoger plan gebracht. Het begon op de grondslag van de natuur, met cultuur als resultaat. Nu wordt dat resultaat zelf de nieuwe grondslag voor het economische proces.

[1992, pp.65-67]
Canal, G.F. von, 1992
Geisteswissenschaft und Ökonomie - Die wert-, preis- und geldtheoretischen Ansätze in den ökonomischen Schriften Rudolf Steiners, Schaffhausen: Novalis Verlag.

Circulatie: prijsvorming treedt op

Over het begrip circulatie doet Steiner geen specifieke uitspraken, maar het lijkt evident dat het hierbij gaat om het verzorgen van de uitwisseling van waren tussen diverse actoren in het economische proces. Daarbij doemt direct het begrip prijs op. De prijs is de ruilverhouding tussen waren, de verhouding van hun waarden. De waarde hangt echter van vele factoren af. Waarde wordt gevormd in het productieproces, door verbinding van arbeid en natuur of geest en arbeid, maar ook door optredende tegenstellingen als schaarste en behoefte. Waarden fluctueren voortdurend in de tijd en per locatie. Wanneer dan dergelijke fluctuerende waarden worden geruild, dan is "in zekere zin dat wat bij die ruil ontstaat als prijs, iets fluctuerends in het kwadraat".

[Steiner, 1986, p.2.8]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Een algemene regel of definitie van hoe prijzen tot stand komen is volgens Steiner eigenlijk niet te geven.

Von Canal meent wel een formule van de opbouw van de prijs te kunnen geven:

p = f ( n.a , a.g , o , i , s )

waarin
p = prijs van de waar

n.a = prijs voor het product van arbeid aangewend op natuur (eerste waardevorming, met name de productie van voedsel en grondstoffen), inclusief kosten voor het onderhoud en bescherming van natuur en milieu

a.g = prijs voor het product van arbeid aangewend op kapitaalgoederen (tweede waardevorming, betreft be- en verwerking van aan de natuur ontleende producten)

o = loonaandeel voor de ondernemer

i = interest over het ter beschikking gestelde spaargeld, zonder rent-aandeel

s = schenking aan het geestesleven

[1992, p.73]
Canal, G.F. von, 1992
Geisteswissenschaft und Ökonomie - Die wert-, preis- und geldtheoretischen Ansätze in den ökonomischen Schriften Rudolf Steiners, Schaffhausen: Novalis Verlag.

In deze prijsformule is de prijs opgebouwd uit de kosten en gaat het dus om een kostprijs. Het rent-element, een prijsverhogende factor die niet op economische gronden is gebaseerd, ontbreekt. In plaats daarvan is opgenomen een schenkingselement, dat wordt beschouwd als een economische factor van betekenis. Dit schenkingselement vormt de winst van de onderneming. In eerste instantie kan het worden vastgehouden als kapitaal, worden benut om productie te verbeteren of uit te breiden. Uiteindelijk echter zal het de weg van alle kapitaal moeten gaan en als schenking bij het geestesleven terecht moeten komen, om daar geconsumeerd, vernietigd te worden.
Wanneer nu een producent die vooral op de eerste manier waarde vormt (door arbeid met natuur te verbinden) zijn product wil verkopen, dan heeft hij er belang bij dat producten van de tweede waardesoort goedkoop zijn. Iemand die juist op de tweede manier waarde vormt (door geest met arbeid te verbinden) heeft er belang bij dat de producten van de eerste waardesoort goedkoop zijn. Beiden zullen trachten de prijzen te vervalsen, zodat ze zelf het beste af zijn.
Een middenprijs ontstaat dan wanneer er twee tussenhandelaren optreden die zelf niet produceren, maar slechts inkopen en verkopen. Dezen hebben er geen belang bij natuurproducten of juist de andere producten te over- of onderwaarderen, maar zullen de middenprijs opzoeken.

[Steiner, 1986, p.3.8]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Bevredigend is dit niet. Want waarom zou het de twee producenten onderling niet lukken een middenprijs te bereiken? En als de tussenhandelaren zaken doen met de producenten, waarom zouden die producenten op dat moment niet proberen een te hoge prijs te berekenen?

Consumptie, het ontwaarden van waren

Consumptie is tegengesteld aan productie. Productie is het opbouwen van waarden, consumptie is het afbreken ervan, het ontwaarden. Bij de productie is er een voortdurende opbouw van waarde doordat de waar in een voortgaande beweging zit. Op elk moment van het productieproces wordt er iets met de waar gedaan, waardoor de waarde toeneemt. De waardevorming is gedurende die tijd een dynamisch proces.
Wanneer de waar voor de consument staat, komt er een einde aan die beweging en houdt de dynamische waardevorming op te bestaan. Wanneer tijdens het productieproces producenten waren (halffabrikaten) van elkaar kopen, doen ze dat omdat ze de waar nog meer waarde kunnen geven, door hem verder te bewerken. Wanneer een consument een waar koopt doet hij dat om die waar te consumeren, te vernietigen. Hij heeft niet het vooruitzicht de waar een hogere waarde te verlenen, maar slechts om hem te ontwaarden. De prijs die de consument bereid is te betalen voor de waar hangt niet zo zeer af van de waarde die er in het productieproces aan is gegeven, maar meer van zijn eigen behoeften en mogelijkheden.
Wanneer nu aanbieder en consument tegenover elkaar staan hechten beiden een waarde aan de waar. De een op basis van het resultaat van het dynamische productieproces, de ander op basis van zijn eigen afwegingen. Tussen de twee ontstaat nu een waardevormende spanning. Uit deze spanning komt dan een prijs tevoorschijn.
Tijdens het productieproces is de waardevorming een dynamisch gebeuren, bij de consument aangeland is de waardevorming een statisch iets geworden.
Wanneer de koop is gesloten gaat de consument tot consumptie over: het goed wordt al dan niet letterlijk opgegeten en de waarde wordt vernietigd. Bij consumptie keert de waar letterlijk terug in de natuur (in de vorm van uitwerpselen danwel afval).

[Steiner, 1986, pp.5.2-3]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

1.3.2 Overdracht van waarden: kopen, lenen en schenken

In het economische leven staat het overdragen van waarde centraal. Dat overdragen kan op drie verschillende wijzen gebeuren, die elk voor een specifieke situatie geschikt zijn.
Allereerst heb je te maken met contante betaling, koop: een synchrone ruil van waar en (geldelijke) tegenwaarde. Dit gaat met name op voor de waren die bewerkte natuur zijn.
Naast het kopen bestaat er het lenen: iemand wordt debiteur om met het geleende kapitaal en zijn talenten, geest, producent te worden.
Een derde vorm van overdracht is het schenken van waarde. Schenken betekent in zijn zuivere vorm dat waarde wordt overgedragen, zonder dat daar iets tegenover staat. Wanneer aan een schenking voorwaarden worden verbonden is er geen sprake meer van zuivere schenking, maar probeert de schenker eigenlijk gedrag te kopen, de ontvanger te manipuleren. Van dwangschenking is sprake wanneer iemand vanuit een machtspositie (de grondbezitter bijvoorbeeld), een ander er toe dwingt waarde over te dragen, zonder daarvoor een tegenwaarde te ontvangen. Ook het heffen van belasting is een dwangschenking, welke later (gedeeltelijk) wordt gecompenseerd door overheidsvoorzieningen.
Schenking is op z'n plaats wanneer de ontvanger een zuivere consument is, die noch kan ruilen, noch kan produceren. Dat is bijvoorbeeld het geval bij kinderen, bejaarden, studenten. Maar ook bij hen die bezig zijn met 'zuiver' geestelijke arbeid (wetenschappers, geestelijken, kunstenaars etc.). Voor al deze mensen geldt dat ze ten opzichte van het verleden nagenoeg zuivere consumenten zijn. Ze bewerken geen natuur, ze organiseren geen arbeid, ze wenden geen arbeid of talenten aan op productiemiddelen. De resultaten van geestelijke arbeid kunnen in de toekomst weliswaar productief zijn, maar in het heden kunnen zuivere consumenten geen tegenwaarde voor hun consumptie bieden. Deze mensen zijn aangewezen op schenkingen. De economie heeft ze ook nodig, omdat ze in staat zijn al het overtollige kapitaal weer te vernietigen en de economie nieuwe impulsen te geven.

[Steiner, 1986, pp.6.5-6]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Schenkingen aan geestelijke arbeiders beschouwt Steiner als de allerproductiefste vorm van kapitaaloverdracht. Deze mensen zijn naar de toekomst toe zeer productief. Het geestelijk goed dat zij in de wereld brengen biedt anderen de mogelijkheid nieuwe productiemiddelen en -methoden te ontwikkelen, die bij dezelfde inzet van arbeid en/of natuur meer waren produceren.
Ze veranderen de randvoorwaarden voor het economische proces.
Wanneer een wetenschapper als Leibnitz (een zuivere consument, die dus van schenkgeld leeft, hoe zeer dat feit misschien ook gemaskeerd is) de differentiaalrekening ontwikkelt, produceert hij naar de toekomst toe oneindig veel meer dan welke ondernemer ook vermag: het resultaat van zijn geestelijke arbeid wordt gebruikt bij iedere tunnel die wordt aangelegd.

[Steiner, 1986, pp.9.3-4]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.