2. Antroposofie en kapitaal

2.1 Het wezen van het kapitaal

Over kapitaal in z'n algemeenheid zegt Steiner dat het een gebied is dat grenst aan het economische proces. Het economische leven betreft productie, circulatie en consumptie van waren. In die zin staat 'natuur' op zich niet in het economische leven. 'Natuur' kan echter wel productief worden gemaakt door het te verbinden met menselijke arbeid.
Kapitaal is in zekere zin natuur, die door de menselijke geest is omgewerkt en weer productief kan worden gemaakt door er arbeid op aan te wenden. Het verdringt als het ware de natuur in het productieproces als aangrijpingspunt voor de arbeid. Maar in tegenstelling tot natuur kan kapitaal ook productief worden gemaakt door er de menselijke geest, talenten, op aan te wenden.
Net als 'natuur' staat 'kapitaal' op zich niet in het economische leven, maar kan wel productief worden gemaakt. Kapitaal en natuur verhouden zich ongeveer tot de economie, zoals ultra-violet en infra-rood zich verhouden tot zichtbaar licht.

[Steiner, 1986, pp.1.6-7]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

2.2 Het ontstaan van kapitaal in twee fasen

2.2.1 De eerste fase

Kapitaal manifesteert zich voor het eerst wanneer de geest op arbeid inwerkt, dat wil zeggen: wanneer arbeidsdeling wordt toegepast. Wanneer iemand een wagen bouwt om transport te verzorgen, dan wendt hij zijn geest aan om de arbeid te organiseren. Hoe de wagenbouwer aan de middelen komt om zijn wagen te bouwen laat Steiner in het midden, maar omdat de wagen vervolgens op de natuur aangewende arbeid overneemt van anderen, verkrijgt die wagen een waarde die gelijk is aan de waarde van het resultaat van de arbeid die hij overneemt. Daarmee wordt de wagen tot kapitaal. Inzet van de wagen wordt betaald naar de waarde van het resultaat van de overgenomen arbeid. Uit deze inkomsten voorziet de eigenaar-kapitalist in zijn levensonderhoud.
Deze wagen representeert kapitaal in zijn eerste fase. Je zou kunnen spreken van primitief kapitaal. Eigenlijk is het kapitaal in deze fase nog niet meer dan opgeslagen arbeid.

2.2.2 De tweede fase

Kapitaal heeft echter de neiging zich te emanciperen van natuur en arbeid. Als een arbeider 10 producten per dag maakt en daarmee in zijn levensonderhoud voorziet, kost het levensonderhoud 10 producten per dag. Dertig van zulke arbeiders samen maken 300 producten. Komt er nu een transporteur, die hun vervoersarbeid overneemt en kunnen zij dan één extra product maken, dan kost het levensonderhoud 11 producten per dag. De dertig arbeiders samen maken 330 producten per dag. Dat betekent dat ze 30 extra producten, of 2,7 extra levensonderhouden produceren. De waarde die de transporteur genereert is die van 30 producten, of 2,7 levensonderhouden. De arbeiders betalen hem gezamenlijk 2,7 maal het levensonderhoud. Dat zij hem dit bedrag betalen is terecht, want dat is de waarde van de dienst die hij hen levert. Voor de transporteur betekent dit echter dat hij 1,7 'levensonderhouden' overhoudt, na in zijn eigen behoeften te hebben voorzien. Hij heeft dus een winst van 1,7 maal het levensonderhoud geboekt.
Door zijn geest aan te wenden op de arbeid en een wagen te bouwen, genereert de wagenbouwer winst. In eerste instantie bouwt hij de wagen, die door de mogelijkheid arbeid over te nemen tot kapitaal wordt. In tweede instantie genereert hij winst en accumuleert daarmee waarde, die hij niet nodig heeft voor zijn levensonderhoud, maar kan sparen. Deze winst, deze geaccumuleerde waarde is kapitaal, maar dan van een andere soort. Met deze geaccumuleerde waarde is het kapitaal in zijn tweede fase aangekomen. Het is tot geld, abstracte waarde geworden.

2.2.3 De geldeconomie vloeit voort uit kapitalisme

Wat hier gebeurt is dat de wagenbouwer eerst eerste-fase-kapitaal vormt, door arbeid op te slaan in zijn wagen. Door deze wagen te gebruiken, wordt hij langzaam vernietigd en omgezet in geld. Dit geld wordt aangewend voor consumptie en voor accumulatie, vorming van tweede-fase-kapitaal. Dit tweede-fase-kapitaal staat los van natuur en arbeid, en kan daarom niet meer worden opgevat als 'opgeslagen arbeid', wat bij de wagen nog wel kan.
De productiviteit van eerste-fase-kapitaal hangt volledig af van de hoeveelheid arbeid die er in is opgeslagen: door gebruik slijt de wagen en op zeker moment is hij op, is alle opgeslagen arbeid verbruikt. De productiviteit van tweede-fase-kapitaal staat geheel los van de oorsprong van dat kapitaal en wordt slechts bepaald door de geest die er op inwerkt. Een slimme ondernemer maakt het productief, een domme ondernemer gooit het over de balk.
Op deze wijze schetst Steiner hoe uit arbeidsdeling het kapitalisme ontstaat en hoe uit het kapitalisme vrij snel de geldeconomie ontstaat. Het ontstaan van winst en de mogelijkheid om waarde te accumuleren maken het voor de kapitalist onontbeerlijk dat er geld is, een bewaarbare, abstracte representant van waarde. Hij ontkent niet het gemak dat geld biedt als universeel ruilmiddel, maar stelt dat geld pas onontbeerlijk wordt wanneer de mens met zijn geest wil ingrijpen in een economisch organisme waar arbeidsdeling heerst.

[Steiner, 1986, pp.4.3-7]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

2.3 Kenmerken en functies van kapitaal

2.3.1 Kapitaal is op drie manieren werkzaam in de samenleving

Kapitaal kan worden ingezet om de arbeid die op de natuur wordt aangewend te organiseren of om de geest een handvat te geven in het economische proces. Steiner onderscheidt daarbij drie verhoudingen waarin kapitaal in de samenleving werkzaam is: de ondernemersactiviteit (gebaseerd op de individuele vermogens van de ondernemer en daarom behorend bij het geestesleven), de rechtsverhoudingen tussen kapitalist en arbeider (behorend bij het rechtsleven) en de werkelijke vervaardiging van producten (behorend bij het economische leven). Kapitaal is dus niet alleen werkzaam in de economie, maar ook in het geestesleven en het rechtsleven.
De sociale hoofdwet in herinnering roepend wijst hij er op dat productie zoveel mogelijk dient te geschieden voor anderen en zo min mogelijk voor de eigen behoeften. In dat geval is er sprake van sociale productie, niet van productie voor het eigen gewin.

De ondernemersactiviteit

De ondernemersactiviteit betreft de aanwending van individuele vermogens en is een activiteit van het geestesleven en moet dus ook vanuit het geestesleven worden bestuurd. Steiner stelt zich dat zo voor, dat door een instantie uit het geestesleven wordt gezocht naar ondernemers, mensen die in staat zijn kapitaal sociaal productief te maken door het met hun geest te verbinden. De rechtsstaat is ongeschikt om dat te regelen, omdat die niet is toegerust om om te gaan met individuen, maar slechts met die zaken die voor ieder mens gelden, afgezien van welke individuele (on)vermogens ook. Besturing vanuit het economische leven impliceert dat wordt gezocht naar ondernemers die de uitlener van het kapitaal maximaal persoonlijk gewin opleveren, wat ten koste van de sociale productie kan gaan.

De rechtsverhouding

In de rechtsverhoudingen tussen kapitalist en arbeider is aangegeven welke arbeidsinzet rechtvaardig en menswaardig is. De rechtsverhoudingen vormen daarmee een randvoorwaarde voor het economische proces. Ze voorkomen dat mensen door dat proces worden opgebruikt en geen menswaardigheid meer ervaren. Ze maken de economische organisatie afhankelijk van de mens, in plaats van andersom. Bij de bepaling van de rechtsverhoudingen speelt de rechtsstaat de hoofdrol.

Vervaardiging van producten

De vervaardiging van producten komt tot stand doordat de arbeider zijn arbeid aanwendt op de productiemiddelen. De kapitalist-ondernemer koopt vervolgens het product van de arbeider.

[Steiner, 1988, pp.71-103]
Steiner, R., 1988,
De kernpunten van het sociale vraagstuk, Zeist: Vrij Geestesleven.
vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1920, Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft, 2de druk, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 23.)

2.3.2 Drie soorten kapitaal

Niet alleen valt er onderscheid te maken naar de verhoudingen waarin kapitaal in de samenleving werkzaam is, maar ook naar de vorm die het kapitaal in de economie aanneemt. Dan is kapitaal in te delen in handels-, leen- en industriekapitaal.

Handelskapitaal

Het handelskapitaal vindt zijn schoolvoorbeeld in pre-industrieel Engeland, waar door zeer uitgebreide handel kapitaal is opgebouwd. Door goedkoop in te kopen in de koloniën en duur te verkopen in het thuisland (of andersom) wisten handelaren kapitaal te vergaren.
Voor een dergelijke kapitaalvorming is het nodig dat er prijsverschillen zijn tussen verschillende lokaties, waardoor handelaren handelswinsten kunnen opbouwen, door waren te vervoeren van de ene plaats naar de andere. Een handelaar kan een waar uit lokatie A op de markt brengen tegen kostprijs Pah en de consument betaalt er Pac voor. Wanneer nu de handelaar aan eenzelfde waar uit lokatie B kan komen, welke hij tegen kostprijs Pbh (Pbh < Pah) op de markt kan brengen, dan kan hij deze in eerste instantie toch voor Pac verkopen. Zijn winst neemt toe, doordat er prijsverschil is tussen de lokaties A en B. Deze winst, voortkomend uit handelsvoordelen, vergroot zijn kapitaal.

Leenkapitaal

Leenkapitaal is te vinden in 19de-eeuws Frankrijk, dat grote hoeveelheden kapitaal uitzette in het buitenland (Turkije, Duitsland, Rusland). Leenkapitaal komt overeen met spaargeld, dat wordt uitgeleend aan ondernemers. Wanneer spaargelden worden uitgeleend aan een ondernemer, wordt daarmee leenkapitaal gecreëerd. Voor leenkapitaal zijn stabiele (internationale) verhoudingen essentieel, omdat spaarders anders niet bereid zijn hun spaargelden uit te lenen.

Industriekapitaal

Industriekapitaal tenslotte is te vinden in 19de-eeuws Duitsland, voor een belangrijk deel omgevormd uit het Franse leenkapitaal. Het gaat hierbij om kapitaal dat is omgezet in productiemiddelen. Industriekapitaal moet twee dingen nastreven: het moet grondstoffen verwerven en het moet markten organiseren. Het verwerven van grondstoffen drijft de economie makkelijk de politiek in: het veroveren van koloniën is niet ongunstig. Dit gaat al gauw gepaard met oorlog en machtsontplooing. Ook het organiseren van markten drijft de economie richting politiek, maar dan vreedzame politiek die is gebaseerd op list en sluwheid.

[Steiner, 1986, pp.9.4-8]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Kapitaal in de associatieve economie

Mees gaat nog verder in op deze drie soorten kapitaal. Over handelskapitaal zegt hij dat het niet alleen voortkomt uit handel, maar er ook een voorwaarde voor is: het is nodig om leveranciers en afnemers te financieren. Handelskapitaal is zeer beweeglijk, relatief snel omlopend en zeer gevoelig voor kansen op winstmarges. Het is te vergelijken met het rekening-courant in de bankwereld en grenst aan de sfeer van het koopgeld.

[Mees, 1986, pp.51-56]
Mees, R., 1986, Een andere kijk op geld, Zeist: Christofoor.

Leenkapitaal is nodig om productiemiddelen te financieren. De productiemiddelen worden afgeschreven, de schuld wordt afgelost. Voor de continuïteit van het bedrijf is het nodig dat het bedrijf niet alleen de aflossing en rente verdient, maar ook kan reserveren voor de aanschaf van nieuwe productiemiddelen. De afschrijving en aflossing is rekenkundig te bepalen, heeft het karakter van zekerheid. Leenkapitaal grenst aan leengeld en correspondeert met (middel)lang krediet.
Voor een associatieve economie geeft Mees aan dat er anders zou kunnen worden omgegaan met leenkapitaal. In plaats van aflossing en rente én reservering te verdienen, zou het voldoende moeten zijn aflossing en rente te verdienen. Voor vervanging is een nieuwe investeringsbeslissing van de ondernemer nodig, op basis van associatief overleg. Er wordt vervolgens opnieuw leengeld aangetrokken. Er vindt dus geen 'eigen' financiering plaats, alles geschiedt door de associatie.
Een dergelijke wijze van financieren lijkt sterk op de intensieve financiering die wel wordt toegepast in het bedrijfsleven. Bij de huidige intensieve financiering echter zorgt nog altijd de onderneming zelf voor de financiering. In de associatieve economie zou de associatie in haar geheel, dus veel meer dan een enkele onderneming, zorgen voor de financiering. De afhankelijkheid en verantwoordelijkheid tussen ondernemer en associatie is dan veel groter dan thans tussen onderneming en samenleving. Het geld dat de onderneming dan niet nodig heeft voor reservevorming, kan óf worden uitgeleend, óf worden geschonken.
Wat Steiner industriekapitaal noemt, noemt Mees risicokapitaal. Dit is het kapitaal dat nodig is om te kunnen ondernemen: ontwikkelingen voor te bereiden en risico's te nemen. Het kapitaal wordt concreet vorm gegeven in productiemiddelen, er wordt een keuze aan verbonden, met het risico dat de keuze niet juist blijkt en tot verlies leidt. Creativiteit en (on)geluk spelen hierbij een belangrijke rol. Of het groeit of slinkt hangt af van de creativiteit van de ondernemer en van toeval. Deze afhankelijkheid van het ondernemerstalent, van de vermogens van de ondernemer, maakt dat risicokapitaal aan het schenkgeld grenst. Het correspondeert met eigen vermogen en aandelen.

2.4 Kapitaal is een sociaal verworven bezit

Voor optimale sociale productie is het van belang dat ondernemers de vrije beschikking hebben over kapitaal. Het ondernemerschap is een individueel vermogen, dat gebaat is bij vrijheid. Niemand anders dan de ondernemer kan bepalen hoeveel kapitaal hij nodig heeft en hoe hij het inzet. Dit plaatst echter de ondernemer in een rechtsverhouding tot alle andere mensen. Immers, het kapitaal waarover hij vrije beschikking heeft, staat niet meer ter beschikking van anderen. Zolang de ondernemer over de vermogens beschikt om het kapitaal op doelmatige wijze voor sociale productie in te zetten is er niets aan de hand, maar wanneer hij dat vermogen verliest is de samenleving er bij gebaat dat het beschikkingsrecht overgaat op een ander.
Steiner pleit hiermee niet voor het collectiviseren van het bezit van kapitaal, maar voor het toekennen van het beschikkingsrecht erover aan de juiste mensen. Zoals het niet vanzelfsprekend is dat het kind van een geslaagd ondernemer een geslaagd ondernemer wordt, zo zou het niet vanzelfsprekend moeten zijn dat het beschikkingsrecht overgaat van ouder op kind.
Kapitaal kan nooit een individueel verworven bezit zijn. Het kan alleen worden gevormd binnen een samenleving. Dien ten gevolge zou ook de samenleving moeten kunnen meespreken over hoe kapitaal vererft na de dood van degene die het heeft gevormd. De staat heeft hierin de taak in wetten vast te leggen hoe kan worden voorkomen dat beschikkingsrecht over kapitaal omslaat in ongerechtvaardigde machtsontplooiing. Wanneer de oorspronkelijke ondernemer zijn capaciteiten verliest, of wanneer het beschikkingsrecht dreigt over te gaan in onbekwame handen, dan moet de wet regelen dat het beschikkingsrecht opnieuw wordt toegekend, aan iemand die er dan door zijn individuele vermogens wél aanspraak op kan maken. De staat regelt alleen dát dat gebeurt, zelf neemt ze in geen geval kapitaal in bezit en bemoeit zij zich niet met de toekenning van het beschikkingsrecht. Dat dient te worden verzorgd door een instantie uit het geestesleven.

[Steiner, 1988, p.92-98]
Steiner, R., 1988,
De kernpunten van het sociale vraagstuk, Zeist: Vrij Geestesleven.
vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1920, Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft, 2de druk, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 23.)

Steiner spreekt zich hiermee duidelijk uit tegen het accumuleren van kapitaal bij individuen, voor zover dat niet is gerechtvaardigd door hun capaciteiten om dat kapitaal doelmatig in te zetten voor de sociale productie. Maar ook spreekt hij zich uit tegen accumulatie van kapitaal bij de staat, die zich uitsluitend met het algemeen menselijke recht moet bezighouden. In zijn driegelede samenleving komt het kapitaal op den duur steeds terug bij het geestesleven, om vandaar zijn weg te vinden tot individuele vermogens. Kapitaal kan alleen productief worden gemaakt door verbinding met de geest en door het kapitaal uiteindelijk steeds naar het geestesleven te sluizen, waar het kan worden geconsumeerd, wordt de geestelijke impuls in het economisch leven voortdurend vernieuwd.

2.4.1 Kapitaaloverdracht

De eigenaar van kapitaal heeft in principe het recht zijn kapitaal ter beschikking te stellen aan wie hij maar wil, of het eigendom ervan over te dragen. Het gaat daarbij om de overdracht van rechten. De staat zou middels wetgeving erin moeten voorzien dat die overdracht zo geschiedt, dat inzet van het kapitaal voor sociale productie gewaarborgd blijft. Steiner maakt hierbij onderscheid tussen privé-kapitaal, volgens afspraak verkregen door inzet van individuele vermogens (het ondernemersloon), en kapitaalmassa's verkregen door productie. Het eerstgenoemde privé-kapitaal zou onaantastbaar moeten zijn, maar het kapitaal dat uit productie voortkomt zou moeten worden veilig gesteld voor de sociale productie.
Zonder in details te treden, geeft hij aan dat de grote kapitaalmassa's onder de wet moeten vallen, die er voor zorgt dat misbruik van kapitaal niet mogelijk is. Wanneer een kapitaalbezitter niet meer in staat is zijn kapitaal op doelmatige wijze in te zetten, zal hij het beschikkingsrecht moeten overdragen aan een persoon die dat wel kan, of aan een instantie uit het geestesleven die daarvoor kan zorgen. Op die manier komt het kapitaal opnieuw terecht bij iemand die zijn geest er productief op kan aanwenden.
Privé-kapitaal blijft in het bezit en tot de beschikking van de oorspronkelijke verwerver of zijn nakomelingen tot het moment van de dood van de verwerver of enige tijd daarna. Het is persoonlijk verworven en daarom onvervreemdbaar. Wanneer het echter na zijn dood definitief geërfd zou worden door zijn nakomelingen, dan zouden die rechten verwerven op kapitaal terwijl ze daar geen enkele prestatie voor hebben geleverd. Het kapitaal zou in privébezit gaan accumuleren bij mensen op grond van bloedverwantschap, in plaats van op grond van capaciteiten. Om dit te voorkomen dient het recht zo te zijn ingericht dat dergelijk kapitaal direct of enige tijd na de dood van de spaarder toegewezen wordt aan geestelijk of materieel producerenden. Dat kan bij testament of bij testamentair toegewezen mandaat. Als er geen testamentaire regeling is getroffen, wijst de staat een mandaathouder aan, maar onthoudt zich verder van alle bemoeienis met betrekking tot de toewijzing.
Ontduiking van een dergelijk regeling, door reeds bij leven kapitaal aan de kinderen te schenken, kan worden voorkomen door kapitaal (vanaf bepaalde omvang) te registreren en ook geschonken kapitaal bij overlijden van de oorspronkelijke bezitter onder de toewijzingsregeling te laten vallen.

[Steiner, 1988, pp.99-103]
Steiner, R., 1988,
De kernpunten van het sociale vraagstuk, Zeist: Vrij Geestesleven.
vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1920, Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft, 2de druk, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 23.)

Bij een dergelijke inrichting staan de grote kapitaalmassa's ter beschikking van de sociale productie. De kleinere, persoonlijke vermogens kunnen door de verwervers bij hun leven zo worden aangewend als hen zelf juist lijkt. Daarbij is het mogelijk persoonlijke voorkeuren te laten prevaleren boven maatschappelijke, wat het geheel een menselijke dimensie geeft. Maar daar komt bij het overlijden een einde aan, waardoor weer recht wordt gedaan aan de gehele samenleving: dat iemand tijdens zijn leven grandioze prestaties heeft geleverd en daar goed aan heeft verdiend, geeft hem nog niet het recht anderen (kinderen, geliefden of wie ook) aan machtsposities te helpen. Zijn privé-kapitaal komt na zijn dood aan de gehele gemeenschap ten goede.

2.4.2 Winstverdeling

Wanneer een ondernemer met het kapitaal waarover hij beschikkingsrecht heeft winst maakt, dan moet die winst worden verdeeld. Omdat het aanvangskapitaal hem ter beschikking is gesteld om te kunnen produceren, ligt het voor de hand dat ook de winst hem ter beschikking wordt gesteld, voorzover hij die nodig heeft om zijn productie te optimaliseren. Wanneer echter de productie niet wordt geoptimaliseerd of de ondernemer zijn activiteiten zelfs geheel staakt, moet de overblijvende kapitaalmassa worden overgedragen aan anderen, die hem wel aanwenden voor productie. Daartoe zou weer een wettelijke regeling kunnen worden ontworpen die het kapitaal bij de oorspronkelijke bezitter of een geestelijke instantie doet komen.
Op deze wijze wordt door wet en geestesleven ervoor zorggedragen dat kapitaal steeds wordt ingezet voor sociale productie. Maar wat schiet de ondernemer er zelf mee op? Waarom zou hij zich volledig altruïstisch inzetten? Het lijkt zeer aannemelijk dat de ondernemer ook een persoonlijke motivatie nodig heeft. Daarin zou kunnen worden voorzien door bij de toekenning van het beschikkingsrecht afspraken te maken over de aanspraken op winst die hij mag doen. Deze afspraken zijn door zowel de ondernemer als degene die hem het kapitaal toekent aanvaard en betekenen dat de ondernemer een deel van de winst in persoonlijk bezit krijgt. Bij een dergelijke afspraak wordt enerzijds naar beste oordeelsvermogen kapitaal ter beschikking gesteld voor sociale productie, anderzijds wordt de bijdrage van goed ondernemerschap erkend en beloond door winstdeling.

[Steiner, 1988, pp.98-99]
Steiner, R., 1988,
De kernpunten van het sociale vraagstuk, Zeist: Vrij Geestesleven.
vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1920, Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft, 2de druk, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 23.)

Steiner geeft aan dat winst opnieuw productief moet worden ingezet. Maar er is ook een ander mogelijkheid om winst op economische wijze te besteden en dat is door schenking. In onze huidige economische inrichting streeft ieder egoïstische doelen na en zullen er kapers op de kust verschijnen zodra een onderneming winst maakt: consumenten willen lagere prijzen, arbeiders willen hogere lonen, de onderneming wil reserves vormen, de staat wil meer belasting. In een associatief samenwerkingsverband zijn deze eisen niet alle even terecht. De prijs die de consument betaalt is een 'middenprijs' tussen wat hij wil betalen en wat de aanbieder aan kosten heeft gemaakt. Toenemende winst zou daarom kunnen leiden tot een bijstellen van deze consumentenprijs, maar de consument heeft geen recht op de volledige winst. Arbeiders krijgen een juiste prijs voor hun product, die hooguit indirect beïnvloed kan worden door prijsveranderingen in het levensonderhoud. De onderneming hoeft geen reserves op te bouwen (want wordt gefinancierd door de associatie) en de inkomstenbehoefte van de staat neemt niet toe door winstvorming in een onderneming.
De winst vloeit voort uit de creativiteit en kunde van de ondernemer. Wanneer de onderneming niet hoeft uit te breiden en de winst dus niet hoeft te worden geïnvesteerd, heeft de onderneming de mogelijkheid de winst te schenken. Het meest voor de hand liggend is het te schenken aan instituties uit het geestesleven, waar creativiteit en kunde worden ontwikkeld. Zo zullen er ook in de toekomst weer creatieve en kundige mensen zijn.

[Mees, 1986, pp.21-22]
Mees, R., 1986, Een andere kijk op geld, Zeist: Christofoor.

2.4.3 Rente

In vroeger tijden was het ongebruikelijk, of zelfs verboden, om rente te berekenen over uitgeleend kapitaal (wat in de islamitische wereld nu nog het geval is). De wereld was toen ook zo klein dat rente niet noodzakelijk was: je kon rustig geld uitlenen in de zekerheid dat je schuldenaar jou op zekere dag weer eens een dienst kon bewijzen met een lening aan jou. Zo werd op lange termijn schuld met schuld vereffend.
In de moderne kapitalistische wereld werkt dat niet meer zo; dat ik vandaag iemand met een lening help, betekent allerminst dat die ander mij ooit met een wederdienst kan vergoeden. Zogoed als geld nodig is om in de kapitalistische wereld waarden te ruilen, zogoed is rente nodig om kapitaal te kunnen lenen. De rente is als het ware een afkopen van de verplichting tot wederkerige dienstverlening.

[Steiner, 1986, pp.10.5-6]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

In oorsprong werd dus de ene lening geruild tegen de andere. Rente als afkoopsom voor de wederkerige ruil heeft dezelfde functie als geld bij de ruil van waren: het schept onafhankelijkheid van het aanbod van de ander, waardoor de transactie veel soepeler kan verlopen. Bij de warenruil wordt de ruil waar-waar vervangen door waar-geld, bij de leningenruil wordt de ruil lening-lening vervangen door lening-rente. De waarde van de rente moet daarom overeenstemmen met de waarde van de lening. Dat betekent dat de rente niet bepaald mag worden door bijvoorbeeld de macht van banken, of door speculatiemotieven.

[Canal, 1992, pp.98-99]
Canal, G.F. von, 1992
Geisteswissenschaft und Ökonomie - Die wert-, preis- und geldtheoretischen Ansätze in den ökonomischen Schriften Rudolf Steiners, Schaffhausen: Novalis Verlag.

In ons huidige economische systeem kan iemand twee soorten lening aangaan: persoonlijk krediet en hypothecair krediet. Bij persoonlijk krediet verkrijgt de schuldenaar zijn lening op basis van het vertrouwen dat de crediteur in hem stelt. Door zijn geest op het geleende kapitaal in te laten werken wordt hij productief en kan op zeker moment zijn schuld terugbetalen, inclusief de rente. Hoe lager de rente, hoe goedkoper hij kan produceren. In het geval van persoonlijk krediet is een lage rentevoet economisch te prefereren. Bij hypothecair krediet wordt een zakelijk onderpand als waarborg genomen. Dit lijkt geen probleem te zijn wanneer het een geproduceerd goed betreft, dat immers een economische waarde heeft, maar met grond ligt dat anders. Grond is immers geen geproduceerd goed, maar een waarde-loze gave van de natuur. Wanneer, zoals in onze samenleving, grond wel een economische (schijn)waarde krijgt toegekend, dan zijn de marktprijzen van grond omgekeerd evenredig aan de rentevoet. Dat betekent dat hoe lager de rentevoet is, hoe meer men voor grond zal willen betalen, hoe meer kapitaal zich verbindt met de grond. Bij hypothecair krediet op grond leidt een lage rente dus tot hoge grondprijzen; kapitaal hoopt zich nutteloos op in de grond.
Onze huidige 'grondwaarde' is een schijnwaarde. De grond, de natuur, heeft helemaal geen waarde in de economische betekenis van het woord. Als je een bodem verbetert, dan wend je arbeid aan op natuur en ontstaat er waarde. Maar alleen de verbetering is een waardedrager, niet de grond zelf. Het grootste deel van de 'grondwaarde' is op grond gefixeerd kapitaal. Het is op de grond gefixeerd, omdat men denkt het niet productief te kunnen aanwenden. Het is net zo'n schijnwaarde als hogere prijzen ten gevolge van het drukken van meer bankbiljetten: de prijzen in cijfers stijgen, maar er verandert eigenlijk helemaal niets. Wél kan het enorme schade toebrengen aan de enkeling.

Twee soorten rente

Voor een gezond economisch proces is het noodzakelijk twee soorten rente te hanteren: een lage rentevoet voor persoonlijk krediet, zodat waren goedkoop geproduceerd kunnen worden; en een hoge rentevoet voor hypothecair krediet op grond, zodat kapitaal zich niet in de grond ophoopt.

[Steiner, 1986, pp.5.3-7]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Rente heeft de neiging te stijgen wanneer de spaarder meer belang hecht aan directe consumptie of naarmate hij meer zekerheid wenst. Wanneer echter de spaarder bewust met zijn spaargeld omgaat, zal hij het liever aan de een dan aan de ander uitlenen en in uiterste consequentie bij de een genoegen nemen met minder rente dan bij de ander. Hij levert een deel van zijn rentevergoeding in voor het belang dat hij hecht aan het product, voor de interesse die hij er voor heeft.
Rentevergoeding wordt dan vervangen door interesse, het lenen wordt een persoonlijke zaak.

[Mees, 1986, p.38]
Mees, R., 1986, Een andere kijk op geld, Zeist: Christofoor.

Steiner geeft aan dat om een lage rentevoet voor persoonlijk krediet te verkrijgen de rechtsstaat een rechtvaardige rentevoet zou moeten bepalen, die de crediteur niet tekort doet, maar ook het economisch proces niet doet stagneren. Wellicht is een combinatie van een wettelijke grens aan de rente en vrijwillige beperking van de rentevoet de beste oplossing.

Consumptief krediet: het oudtestamentische Jubeljaar

Wanneer Steiner spreekt over kredieten, heeft hij steeds die kredieten voor ogen die economisch productief aangewend worden. Een consumptief krediet heeft een heel andere betekenis in de economie, omdat daaruit niet de verwachting voortkomt dat het waarde zal genereren. Het is, zoals de benaming al aangeeft, consumptief. Over dergelijke kredieten doet hij geen duidelijke uitspraken, maar uit een van zijn vragenbeantwoordingen valt wel iets af te leiden.
Op een vraag naar het verslijten van geld komt hij te spreken over de oude Joodse cultuur en het voorschrift van het Jubeljaar.

[Steiner, 1986, pp.V13.1-2]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

In Leviticus 25:10-28 staat:

"Gij zult het vijftigste jaar heiligen (...), een jubeljaar zal het voor u zijn (...). In dit jubeljaar zal ieder van u zijn bezitting terugkrijgen. (...) Maar indien hij [degene die uit armoede bezittingen heeft moeten verkopen] niet verwerft wat nodig is om hem [de koper] terug te betalen (...), in het jubeljaar zal het vrijkomen, en hij zal zijn bezittingen terugkrijgen."

Steiner interpreteert dit voorschrift zo, dat "een mens het recht heeft in zijn jeugd datgene op te maken wat hij later als volwassen mens verdient en vervolgens wat minder verdient als het naar het einde gaat". De jonge mens kan dus geld lenen om grote aankopen te doen die hij nodig heeft om zijn leven in te richten, waarna hij die lening in de loop van zijn leven afbetaalt. Aan het einde van zijn leven staat hij dan weer quitte.
Het Jubeljaar maakt dat dergelijke leningen niet als een molensteen om de nek van de bejaarde lener hangen, wanneer hij in zijn leven niet in staat gebleken is zijn schulden te voldoen.
Hieruit zou je kunnen opmaken dat mensen inderdaad de mogelijkheid moeten hebben een voorschot op hun latere productiviteit te nemen, hoewel Steiner dat niet met zoveel woorden zegt. Het geld dat ouderen afbetalen, wordt opnieuw geleend door de jongeren. Het lijkt daarmee een heel ander geldcircuit te zijn dan dat van de leningen voor productieve ondernemingen. Daar gaat het om winst uit het productieproces, die wordt uitgeleend om opnieuw productief te maken.
De 'productieve' leningen zouden moeten voortkomen uit het sociale productiekapitaal, de consumptieve uit het privékapitaal.
Gezien de uiterst geringe aandacht die Steiner besteedt aan het consumptief krediet, lijkt hij dat niet van wezenlijke betekenis voor het economische proces te vinden.

2.5 Voorkomen van stuwing van kapitaal in grond

Om het stuwen van kapitaal in grond te voorkomen, zou zoveel mogelijk grond geschonken moeten worden aan geestelijke arbeiders. Daarmee wordt de grond uit het economisch circuit gehaald. Wanneer er kapitaaloverschotten ontstaan kunnen die nergens heen en wordt de enige zinvolle besteding: schenking. En wie komen daarvoor in aanmerking? De geestelijke arbeiders.

Steiner ziet het economische proces als een organisme, dat dus in een kringloop bestaat. Dat betekent ook dat de productiefactoren natuur/grond, arbeid en geest/kapitaal in een kringloop bestaan. Hij drukt zich zo uit dat natuur ten onder gaat in arbeid (wat je ook zou kunnen noemen: natuur wordt door arbeid bewerkt), arbeid ten onder gaat in kapitaal (arbeid wordt door kapitaal productief gemaakt) en dat kapitaal tenslotte weer ten onder moet gaan in natuur, om de kringloop te sluiten.

Alle kapitaal dat niet wordt uitgeleend aan ondernemers zal toch een bestemming zoeken. In de huidige praktijk betekent dat uiteindelijk beleggen in grond, natuur. Wanneer kapitaal bij de natuur aankomt (bij 'het begin' van de economische kringloop) dan zal een deel daar nodig zijn om productiemethoden te verbeteren. Het wordt dan aangewend op een vruchtbare manier. Steiner vergelijkt dit met het zaaigoed dat de boer nodig heeft om opnieuw te kunnen oogsten. Wanneer dan nog kapitaal overblijft heeft het de neiging te fixeren in grond. En hier gaat het fout: het kapitaal wordt niet langer vruchtbaar aangewend, maar versteent (zoals overtollig cholesterol in het menselijk lichaam tot galstenen versteent). Dit kapitaal zou moeten worden geschonken aan het geestesleven, waar het wordt geconsumeerd. Vanuit het geestesleven zullen vervolgens nieuwe impulsen naar de samenleving uitgaan, welke tot verbeterde of nieuwe productiemethoden leiden. Om dit te bewerkstelligen zou er een dusdanige hypotheekwetgeving moeten zijn, dat kapitaal niet in grond gefixeerd kan worden. Kredieten zouden uitsluitend op persoonlijke basis gegeven moeten worden, niet op basis van grond als hypothecair onderpand.

[Steiner, 1986, pp. 5.7-8]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Wanneer in een samenleving te veel wordt geschonken, dan zal er te weinig kapitaal zijn om de productiemethoden naar de nieuwste inzichten te moderniseren. De noodzaak tot het verminderen van de schenkingen en het vergroten van de hoeveelheid 'zaaigoed' wordt vrij snel duidelijk. Wordt daarentegen te weinig geschonken, dan zal er kapitaal onbenut overblijven, omdat er te weinig ideeën zijn die kapitaal nodig hebben om gerealiseerd te worden. Of er te veel of te weinig wordt geschonken kan niet worden bepaald door de staat, noch door het geestesleven, maar slechts door het bestuur van het economische leven.

[Steiner, 1986, pp.6.8-9]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.