3 Antroposofie en geld

3.1 Het wezen van het geld

Steiner ziet geld als een voortvloeisel uit arbeidsdeling en kapitalisme. Bij arbeidsdeling grijpt de geest in in het economische proces en schept kapitaal. Naarmate het kapitaal groeit ontstaat de behoefte aan een representant voor abstracte waarde en die wordt gevonden in geld: "[Geld] is de ware representant van door de geest in omloop gebrachte economische waarden."

[Steiner, 1986, pp.4.5-6]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Dit geld maakt het de kapitalist mogelijk zijn kapitaal uit te lenen en maakt het de ondernemer mogelijk zijn geest, zijn talenten in de economie werkzaam te doen zijn.

3.2 Het scheppen van geld

Het bestaan van kapitaal is volgens Steiner de werkelijke oorsprong van geld. Dat geld daarnaast goede diensten verricht als ruilmiddel is een tweede. Maar noodzakelijk wordt het pas wanneer er kapitaal ontstaat en er behoefte ontstaat aan abstracte waarde, waarop een ondernemer zijn geest kan aanwenden.

[Steiner, 1986, p.2.7]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Omdat geld een middel uit het economische leven is, moet het ook worden geschapen binnen het economische leven. Dat betekent dat niet de staat het geld schept en een wettelijke basis geeft, maar dat het bestuur van het economische leven dat doet. Dit bestuur is dan de geldscheppende instantie in de economie. De plaats in de economische kringloop waar deze geldscheppende instantie thuishoort is tussen diegenen die schenkgeld ontvangen en diegenen die arbeid aan de natuur verrichten. Het geld dat wordt uitgegeven door degenen die schenkgeld ontvangen moet zij vernietigen en voor de natuurbewerkers schept zij nieuw geld.
De waarde van het geld wordt bepaald door de doelmatigheid waarmee het bestuur van het economische leven zich ontplooit.

[Steiner, 1988, pp.113-115]
Steiner, R., 1988,
De kernpunten van het sociale vraagstuk, Zeist: Vrij Geestesleven.
vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1920, Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft, 2de druk, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 23.)
[Steiner, 1986, p.V13.4]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Constructies van autonome geldscheppende instanties zijn in vele landen gerealiseerd, zoals De Nederlandsche Bank, de Bundesbank, de Bank of England etc.

3.3 Kenmerken en functies van geld

3.3.1 Geld als waardemeter

Geld is een abstracte weergave van waarde. In een gezond sociaal organisme is het niet meer dan een waardemeter, die aangeeft wat de waarde van een waar is, zoals een thermometer de temperatuur van iets weergeeft.
Maar zo goed als waren hun waarde verliezen, zo moet ook geld zijn waarde verliezen, wil het een echte representant van waarden zijn. Wie zijn bezit spaart in de vorm van aardappelen, heeft na een jaar niets meer. Wie zijn bezit spaart in de vorm van geld, heeft na een jaar nog net zoveel of zelfs meer, wanneer het tegen rentevergoeding wordt uitgeleend.
Daarmee is geld niet langer een neutraal element in de economie. Omdat het geld zijn waarde niet verliest, maar de waren die het representeert wel hun waarde verliezen, is geld in het voordeel ten opzichte van waren.
Maar ook brengt het sociale onrechtvaardigheid in de samenleving. Er is inspanning voor nodig om op basis van een hoeveelheid aardappelen die iemand vandaag bezit, over vijftien jaar de dubbele hoeveelheid te bezitten. Maar wie vandaag een som geld bezit, kan zonder enige inspanning over vijftien jaar het dubbele bezitten. Het geld dat iemand dan bezit staat in geen verhouding tot de waardescheppende prestaties die hij heeft verricht.

[Steiner, 1986, pp.11.6-7]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Om dergelijke scheve verhoudingen te voorkomen zou de waarde van geld gekoppeld moeten worden aan de waarde van de waren en warenvoortbrengende prestaties. Het gaat Steiner daarbij vooral om dat geld dat als kapitaal functioneert. Zoals in het hoofdstuk over kapitaal beschreven, zou door geld gerepresenteerd kapitaal na verloop van tijd moeten toevallen aan het geestesleven, waar het door consumptie wordt vernietigd. En geld dat niet in productiebedrijven zit, maar wordt achtergehouden door de eigenaar, zou na verloop van tijd toch ook moeten ontwaarden, wat te realiseren is door van tijd tot tijd nieuw geld uit te geven. Bij een dergelijk regeling treedt bij geld op wat ook bij waren optreedt: bederf, slijtage.
Wanneer iemand kapitaal bezit, maar daar geen waardevoortbrengende prestaties mee levert, dan onderhoudt hij zijn kapitaal niet. De prestaties waarmee het kapitaal oorspronkelijk is opgebouwd verliezen hun betekenis. Wanneer geld veroudert en slijt, dan zal ook het kapitaal verouderen en slijten, wanneer het niet wordt vernieuwd door het opnieuw productief aan te wenden. Dat betekent dat het vanzelf verdwijnt bij diegenen die niet capabel zijn, of hun kapitaal onbenut achterhouden.

[Steiner, 1988, pp.113-115]
Steiner, R., 1988,
De kernpunten van het sociale vraagstuk, Zeist: Vrij Geestesleven.
vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1920, Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft, 2de druk, Dornach: Rudolf Steiner Verlag, GA 23.)

3.3.2 Geld als wereldboekhouding

Zoals boven reeds beschreven ziet Steiner geld vooral als een smeermiddel voor het kapitaalverkeer. Maar hij onderscheidt nog een andere functie, nl. die van een boekhoudsysteem. Wie een waar produceert brengt daarmee die waar in het economisch leven binnen. Wanneer hij die waar verkoopt, ruilt hij hem tegen een geldbedrag. Hij is zijn waar kwijt, maar het geldbedrag dat hij nu bezit is een boekhoudkundige aantekening, die zegt dat hij nog waren ter waarde van dat geldbedrag aan de economie mag onttrekken.

[Steiner, 1986, pp.14.3-4]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Zo onderscheidt Steiner dus twee functies aan geld: een smeerfunctie voor met name het kapitaalverkeer en een (wereld)boekhoudfunctie voor het verkeer van waren (goederen en diensten).

De waarde van geld

Om zijn functies te kunnen uitoefenen moet geld wel algemeen erkend zijn als abstracte waarde. Welke waarde overeen komt met een geldsom is nog wat anders. Die waarde wordt subjectief bepaald uit beoordeling van de objectieve omstandigheden. De verkoper van een fiets wil voor die fiets 500,- hebben, de koper wil er 400,- voor geven; duidelijk is dat de verkoper minder waarde aan het geld toekent dan de koper (of: dat de verkoper meer waarde aan de fiets toekent dan de koper). Dát geld abstracte waarde is wordt niet betwist, maar hoe groot die waarde is wel.Wanneer vervolgens een koop wordt gesloten voor 450,-, dan zal duidelijk zijn dat de verkoper meer waarde hecht aan dat bedrag dan aan de fiets, terwijl voor de koper het omgekeerde geldt. Door de ruil, door de circulatie alleen, neemt de waarde toe, van zowel fiets als geld.

[Steiner, 1986, pp.12.1-2]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Uiteraard gaat het hier om de absolute waarden. Omdat er voortdurend waren en geld worden geruild, en daardoor voortdurend zowel waren als geld in waarde toenemen, verandert er ten gevolge van deze waardestijgingen in de ruilverhoudingen niets.

3.3.3 Drie soorten geld

Naast de smeerfunctie voor het kapitaalverkeer en de boekhoudfunctie voor de wereldhandel, onderscheidt Steiner drie functies die samenhangen met de manier waarop geld van bezitter verandert. Dit onderscheid betreft koopgeld, leengeld en schenkgeld.

[Steiner, 1986, pp.12.3-5]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Koopgeld ontleent zijn waarde aan waren

Ten eerste kan geld bemiddelen bij een ruil, waarbij waarden over en weer gaan. Je spreekt dan van koopgeld. Alles wat wordt gebruikt om bij ruil te bemiddelen is koopgeld. Wanneer iemand een overvloed aan erwten bezit en die gebruikt om aan andere waren te komen, dan zijn die erwten op dat moment geld. Het beste geld is dat geld, dat voor niets anders dan bemiddeling bij ruil wordt gebruikt. Je komt dan uit op onze munten, of op de schelpen en stenen in andere culturen.
De basis voor de waarde van koopgeld ligt in de waarde van de waren. Essentieel hierbij is dat alle waren bedervelijk zijn, na korte of lange tijd hun waarde verliezen. Het geld echter bederft niet. Het blijft zijn getalswaarde houden. Wat wel gebeurt is dat het aan inflatie onderhevig raakt: de reële waarde vermindert. Om het geld zijn waarde te laten behouden moet de hoeveelheid geld steeds in evenwicht zijn met de waarde aan waren die in de economie circuleert.
Henny geeft een verhelderend voorbeeld van de inflatie die optreedt wanneer geld niet wordt vernietigd op het moment dat de waardebasis van dat geld wordt geconsumeerd.

[Henny, 1986, p.18]
Henny, A., 1986, Geld tussen zekerheid en risico - De rol van het goud in de geschiedenis, Zeist: Christofoor.

Tijdens de Franse Revolutie confisqueerde de staat landgoederen van de kerk. Vervolgens gaf zijassignaten uit, waardepapieren gedekt door deze landgoederen. Die assignaten werden gebruikt om kanonnen, uniformen en andere noodzakelijkheden mee te kopen. De assignaten kwamen dus op het niveau van de industrie in de economie terecht, maar vonden geleidelijk hun weg naar de boeren, die ze tenslotte konden inruilen voor land. Daarmee kwam ook de dekking van de assignaten te vervallen. Immers: de staat had als dekking deze landgoederen, maar op het moment dat ze die uitgaf aan de boeren werd de dekking als het ware geconsumeerd. Op dat moment hadden de assignaten vernietigd moeten worden. De staat zag echter dat de bevolking vertrouwen had in de waarde van de assignaten en gaf ze opnieuw uit, ditmaal zonder dat ze gedekt waren. Het gevolg was dat de waarde van de assignaten uitgehold werd: ze werden aan inflatie onderhevig.
Wanneer geld in een economie circuleert zoals nu, zonder dat het veroudert, dan krijgt het te maken met inflatie. Wat in werkelijkheid gebeurt en wat ook zichtbaar gemaakt moet worden, dat is dat het geld verandert binnen het economische proces.

Leengeld ontleent zijn waarde aan ondernemersgeest

Ten tweede kan geld uitgeleend worden, aangewend worden voor een onderneming. Je spreekt dan van leengeld. Het is hetzelfde fysieke geld als koopgeld, maar het ontleent nu zijn waarde aan iets heel anders. Leengeld verkrijgt zijn waarde door het economisch vernuft van de ondernemer. Natuurlijk wordt het aangewend om dingen aan te schaffen (en in die zin is het koopgeld), maar de economische werking ervan is dat er productie wordt opgestart. Wanneer de ondernemer door aanwending van zijn geest het geleende geld productief gaat maken, dan is de werkelijke waarde daarvan niet afhankelijk van het getal dat op de biljetten staat, maar van de vraag of de ondernemer "(...) een genie is of dat hij een stommeling is." Een genie immers kan 100,- veel productiever maken dan een stommeling (die de 100,- waarschijnlijk zal verliezen).

Schenkgeld moet vernietigd worden

Ten derde kan geld worden geschonken, dat wil zeggen worden uitgegeven aan opvoeding en onderwijs, aan stichtingen etc. Je spreekt dan van schenkgeld. Dit geld komt terecht bij zuivere consumenten, bij mensen die geen waren in de economie binnenbrengen. Zij krijgen waarde geschonken en consumeren die. Er is dan sprake van ontwaarding.

3.4 De houding van de mens bij het geld

Mees voegt hier nog enkele gezichtspunten aan toe. De houding die mensen bij de verschillende soorten geld hebben is niet hetzelfde. Bij koopgeld slapen we: wie een pak suiker koopt is zich zelden bewust van de zuigwerking die hij uitoefent op suikerproducenten, -distributeurs en -transporteurs, op papierindustrie, inktindustrie, machineproducenten, Research & Development etc. Het bewustzijn richt zich vrijwel uitsluitend op de eigen behoeftebevrediging.
Bij leengeld wordt een al dan niet persoonlijke relatie aangegaan, gebaseerd op het vertrouwen dat het geld ook weer terugkomt. En in een associatieve samenleving is er ook interesse nodig, omdat toewijzing van kapitaal geschiedt op grond van sociale productie.
Bij schenkgeld is het juist nodig dat de schenker zijn eigen belang terughoudt. Schenken is het definitief afstaan van waarde, de ander de mogelijkheid geven zich in vrijheid te ontplooien. Wanneer aan een schenking voorwaarden zijn gekoppeld, dan is het geen schenking, maar een poging de ander te manipuleren. Om tot een zo zuiver mogelijk schenken te komen kan een bemiddelaar uitkomst bieden: een stichting bijvoorbeeld, waaraan mensen kunnen schenken, en die vervolgens (zonder eigenbelangen) het geld schenkt aan wie daarvoor in aanmerking komt.
Zo ziet Mees drie samenhangen tussen geld en de samenleving: koopgeld hangt samen met het verwerven van waren en zou je egoïstisch kunnen noemen. Leengeld hangt samen met interesses van mensen in het productieproces en met vertrouwen daarin en zou je sociaal kunnen noemen. Schenkgeld hangt samen met de creativiteit van de ontvanger en zou je altruïstisch kunnen noemen.
De drie geldsoorten zijn te onderscheiden, maar niet te scheiden. Ze lopen voortdurend in elkaar over. Het economische proces begint met koopgeld, dat tegen de warenstroom in stroomt. Een deel van dit koopgeld wordt gespaard en wanneer het dan wordt uitgeleend (al dan niet door bemiddeling door een bank) ontstaat het leengeld. Dit leengeld is een administratief geld: in de boeken van de bank staat dat de spaarder een tegoed heeft bij de bank en dat de lener een schuld heeft. Wat de lener werkelijk in handen krijgt is koopgeld. Door te sparen wordt koopgeld aan de economie onttrokken. Wanneer het gespaarde geld wordt uitgeleend, komt dat koopgeld terug in de economie, maar is er tegelijk leengeld ontstaan. Wanneer de schuld aan de bank wordt afgelost verdwijnt het leengeld en wordt weer koopgeld aan de economie onttrokken. Tenslotte komt dat koopgeld weer terug wanneer de spaarder zijn saldo opneemt. In dit proces is een toegevoegde waarde ontstaan: interest (voor de spaarder) en winst (voor de lener/ondernemer).
Het uitlenen van geld draagt altijd het risico in zich dat de schuld niet (geheel) kan worden terugbetaald, dat de onderneming verliesgevend is. Leengeld bestaat daarom deels uit potentieel schenkgeld, ook al gaat het in dat geval om een gedwongen schenking. Wanneer de onderneming winstgevend is, is het tegenovergestelde het geval. De onderneming levert meer op dan nodig is voor zijn voortbestaan en de winst kan in principe geschonken worden. Uit de onderneming kan dus op twee manieren schenkgeld voortkomen: door verliesgevend te zijn, waardoor de spaarder gedwongen wordt een schenking te doen, of door winstgevend te zijn, waardoor de ondernemer de mogelijkheid krijgt een schenking te doen. In de praktijk wordt dit risico gedragen door het eigen vermogen van de ondernemer of door risicodragend vermogen van investeerders.

[Mees, 1986, pp.11-19 en 42-49]
Mees, R., 1986, Een andere kijk op geld, Zeist: Christofoor.

3.5 Geld moet getemd worden

In het laatste derde deel van de negentiende eeuw komt het moderne bankwezen op, als antwoord op de vraag van het kapitalisme. Het geld wordt daarmee uit de persoonlijke sfeer getrokken: degene die zijn kapitaal uitleent heeft geen persoonlijk contact meer met degene die het leent voor zijn onderneming. De bewegingen van het geld hebben zich in belangrijke mate aan het bewustzijn van de mensen onttrokken en het geld is een eigen leven gaan leiden.

[Steiner, 1986, pp.9.8-9]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.

Steiner drukt zich zo uit dat je geld, net als werkdieren, moet temmen. Wanneer we een passieve houding aannemen ten opzichte van het geld, dan wordt leengeld aangewend om te kopen, koopgeld wordt geschonken etc. Daardoor treden wanverhoudingen in het economische proces op, die alleen nog kunnen worden gecorrigeerd door te importeren of te exporteren. Wanneer leengeld (bedoeld om productief te maken) wordt gebruikt als koopgeld (bedoeld om waren mee te kopen), dan kan het voorkomen dat er een grote vraag ontstaat naar bijvoorbeeld fraaie bloemenvazen. De mensen denken genoeg geld te hebben om ze te kopen, maar er is geen geld om te investeren in vazenfabrieken en zo te voldoen aan de vraag. Door dan vazen te importeren kan aan de vraag worden voldaan en denkt iedereen dat alles in orde is.
Maar in wezen is er sprake van een misallocatie. Geld dat bedoeld is om te investeren, vergroot de koopkracht en induceert een onterecht grote vraag naar vazen. In de wereldeconomie is geen mogelijkheid voor import. Wanneer dan leengeld als koopgeld wordt aangewend ontstaat een te grote vraag naar vazen. Er is geen geld om de productie te vergroten (dat zit immers als koopgeld bij de mensen) en er zal óf genoegen moeten worden genomen met gebrek (te weinig aanbod voor de vraag), óf de prijzen die ontstaan tussen handelaar en consument stijgen. In dat laatste geval is er sprake van inflatie, welke het levensonderhoud duurder maakt, noopt tot verhoging van de prijzen die de arbeider de ondernemer berekent etc.
In een wereldeconomie is het noodzakelijk actief de geldstromen te sturen, een duidelijk onderscheid aan te brengen tussen koop-, leen- en schenkgeld, omdat dan de allocatie zo goed mogelijk verloopt. De correcties die in een open economie mogelijk zijn door im- en export, zijn niet meer mogelijk in een gesloten of wereldeconomie.
De manier om het geld te temmen is het te dateren. Idealiter zou het geld net zo snel moeten slijten als de waren die er aan ten grondslag liggen. Dat schreeuwt echter om bureaucratische rompslomp. Steiner geeft aan dat het geld daarom behalve een nominale waarde ook een vervaldatum moet dragen, die door de economische autoriteiten wordt vastgesteld. Die vervaldatum zou in eerste instantie een benadering moeten zijn van de gemiddelde levensduur van waren. Op den duur kan die steeds nauwkeuriger worden vastgesteld.
Voor zijn functie van koopgeld maakt het niet uit of een biljet jong of oud is, voor zijn functie van leengeld (kapitaal) wel. Wie voor lange tijd geld wil lenen, heeft jong geld nodig, wie voor korte tijd geld wil lenen heeft aan oud geld genoeg.
Op deze wijze komt vermogen te vervallen wanneer ook de materiële basis van dat vermogen vervalt. Kort vóór het vervallen ten slotte, kan vermogen nog worden geschonken aan een persoon of institutie die het aanwendt in het gebied van het geestesleven. Dáár 'sterft' het geld. Het komt terug bij de economische autoriteit, die er ook zorg voor draagt dat steeds weer nieuw, jong geld in het economisch proces terecht komt aan de oorsprong van dat proces: de bewerking van de natuur.

[Steiner, 1986, pp.12.6-9 en pp.V13.1-2]
Steiner, R., 1986, Wereldeconomie - Voordrachten & vragenbeantwoordingen, Rotterdam: Hesperia.
(vertaald uit het Duits: Steiner, R., 1973, Nationalökonomischer Kurs & Nationalökonomisches Seminar Dornach: Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, GA 340 en GA 341.)
wanneer een paginaverwijzing wordt voorgegaan door een 'V', dan duidt dit op een paginanummer uit de vragenbeantwoordingen.
zo duidt P.V13.4 op pagina 4 van de vragenbeantwoording bij voordracht 13.