4. Gangbare theorieën
4.1 Kapitaal
4.1.1 Het wezen van het kapitaal
Kapitaal wordt in het algemeen beschouwd als één van de productiefactoren.
Leerboek algemene economie - Micro-economie, Leiden/Antwerpen: Stenfert Kroese.
Eenstemmigheid daarover is er niet: enerzijds wordt kapitaal als een afgeleide productiefactor gezien, die geproduceerd moet worden, in tegenstelling tot de primaire productiefactoren arbeid en grond, anderzijds worden natuur en kapitaal tezamen wel als 'kapitaal' aangeduid.
Leerboek algemene economie - Micro-economie, Leiden/Antwerpen: Stenfert Kroese.
Leerboek algemene economie - Micro-economie, Leiden/Antwerpen: Stenfert Kroese.
De eerste visie komt overeen met die van Steiner, die ook kapitaal als afgeleide ziet, zij het niet van twee, maar van drie productiefactoren (natuur, arbeid en geest). De tweede visie verheft kapitaal tot norm, deelt natuur daarbij in. Dit gaat lijnrecht tegen Steiners idee in, dat kapitaal eigenlijk een transformatie is van natuur, maar dat natuur voorop staat.
4.1.2 Twee fasen in het kapitaal
Steiner maakt onderscheid tussen twee fasen waarin het kapitaal verkeert. De eerste is die van het kapitaal dat opgeslagen arbeid is, de tweede is die van het abstracte kapitaal. De eerste fase komt overeen met de kapitaalzijde van een balans, de tweede met de vermogenszijde.
4.1.3 Handels-, leen- en industriekapitaal
Het onderscheid in handels-, leen- en industriekapitaal is ook terug te vinden in de balans. Het handelskapitaal vindt in de balans zijn uitdrukking in de liquide middelen en de korte termijn debiteuren (leveranciers- en afnemerskredieten). Het leenkapitaal zit in de middellange en lange leningen, het vreemd vermogen, en ook in het eigen vermogen, dat beschouwd kan worden als een lening aan jezelf. Het industriekapitaal tenslotte bestaat uit de vastgelegde middelen: onroerend goed, machines, inventaris etc. De voorraden zou je in het geval van een producent ook tot dit industriekapitaal kunnen rekenen, in het geval van een handelaar horen ze meer thuis bij het handelskapitaal.
4.1.4 Overdracht van kapitaal
Steiner stelt nadrukkelijk dat kapitaal een sociaal verworven bezit is en dat het daarom ook sociaal moet worden ingezet en niet tot in het oneindige in particulier bezit moet blijven. Onder bepaalde omstandigheden vervalt het aan het geestelijk leven, dat het sociaal productief moet inzetten en ten slotte wordt het door datzelfde geestelijk leven geconsumeerd. Zo wordt op bewuste wijze zowel aan het individu dat verantwoordelijk is voor het ontstaan van het kapitaal, als aan de gemeenschap die het mogelijk maakt kapitaal te vormen, recht gedaan.
In de gangbare theorie wordt dit proces aan de markt overgelaten en is het privébezit onaantastbaar. Zolang iemand economisch te werk gaat behoudt hij zijn kapitaal, bij overlijden gaat het over op erfgenamen die het ook weer kunnen inzetten zoals hen goeddunkt. Er is geen enkele bescherming tegen egoïstisch gebruik van kapitaal dan de markt. Zolang inzet winstgevend, of in elk geval kostendekkend is, kan het kapitaal egoïstisch, sociaal of altruïstisch worden ingezet. Het nastreven van het eigenbelang is de norm, het nastreven van sociale belangen kan daartoe een voorwaarde zijn.
4.1.5 Winstverdeling
Steiner meent dat een deel van de winst zou moeten toevallen aan de oorspronkelijke kapitaalbezitter en een deel aan de ondernemer en de rest zou moeten worden geïnvesteerd in productie (de winst gaat dan over in kapitaal) of worden geschonken aan het geestesleven, waar de winst wordt geconsumeerd. Hieraan ligt ten grondslag het idee dat kapitaal uiteindelijk altijd moet worden geconsumeerd, wil de economie zich harmonisch blijven ontwikkelen.
Winst heeft in de gangbare economische literatuur verschillende betekenissen. In elk geval gaat het om een restinkomen, dat overblijft na aftrek van de factorprijzen. Maar soms wordt winst beschouwd als de beloning voor kapitaal (na aftrek van arbeidsloon en grondrente), soms als beloning voor grond (na aftrek van arbeidsloon en interest over kapitaal), soms als resultaat van uitbuiting (Marx' meerwaarde theorie), soms als vrij te verdelen restinkomen (na aftrek van arbeidsloon, grondrente en interest over kapitaal). In alle gevallen komt de winst bij een of meer van de factorbezitters terecht: de arbeider, de kapitalist of de grondbezitter.
4.1.6 De rentevoet
Steiner meent dat er twee rentevoeten moeten zijn: een lage voor persoonlijk krediet, een hoge voor hypothecair krediet op grond. Over hypothecair krediet op overig onroerend goed laat hij zich niet uit. De rentevoet zou bij wet moeten zijn geregeld en onafhankelijk moeten zijn van de looptijd.
Volgens de gangbare theorie wordt de hoogte van de rentevoet bepaald door de markt en hangt hij samen met de looptijd van de lening, het risico dat aan de lening is verbonden en de overdraagbaarheid. Dat betekent dat langlopende leningen een hogere rentevoet hebben, evenals leningen zonder onderpand en leningen die niet of moeilijk overdraagbaar zijn. Dit voldoet niet aan de eisen die Steiner stelt aan de rentevoet.
In praktijk betekent het dat hypothecair krediet, dankzij zijn onderpand, goedkoper is dan persoonlijk krediet. Dit maakt de productie van waren duur en het maakt dat kapitaal zich in grote hoeveelheden op grond fixeert. Ook dat de rentevoet afhankelijk is van de looptijd en door de markt wordt bepaald is in tegenspraak met wat Steiner economisch noemt.
Overigens is niet alleen de eigen wetgeving bepalend voor de manier waarop de rentevoet wordt bepaald, ook de ontwikkelingen in het buitenland spelen een grote rol. Rentestijging of -daling in het buitenland kan grote kapitaalstromen oproepen, die niets te maken hebben met de productiviteit van de ondernemers in de betrokken landen, maar alles met de rentevergoeding die de kapitaaleigenaren krijgen. Het eigenbelang speelt hierin de hoofdrol, niet het sociale belang.
4.1.7 Grondrente
Steiner noemt het fixeren van kapitaal in grond als een zeer storende invloed in de economie. En het afdwingen van grondrente voor het gebruik van grond is geen economisch principe, maar het uitbuiten van een rechtspositie.
In de gangbare theorie wordt grondrente gezien als een beloning voor de productiefactor grond. Er wordt dus van uitgegaan dat grond een beloning verdient, iets waar Steiner het niet mee eens is. Die immers zegt dat er alleen sprake kan zijn van economische ruil en betaling bij de overdracht van economische waarden en grond heeft niet zo'n waarde, evenmin als het beschikkingsrecht over grond.
Wanneer de gangbare theorie spreekt over grondrente in de zin van pachtprijs , dan heeft ze het over Steiners grondrente. Wanneer ze spreekt over grondrente in de zin van restinkomen na aftrek van de beloning voor arbeid en kapitaal, dan gaat hij nog verder: niet alleen een afgesproken bedrag wordt nu op de grond gefixeerd, maar de totale winst. Al het nieuw gevormde kapitaal wordt direct op de grond gefixeerd.
4.2 Geld
4.2.1 De functies van geld
De gangbare literatuur onderscheidt drie functies van het geld: een ruilfunctie , een rekenfunctie en een oppotfunctie. De ruilfunctie is hetzelfde als wat ik eerder de smeerfunctie noemde. De rekenfunctie kwam eerder ter sprake als 'geld als waardemeter', maar ook als de boekhoudfunctie van het geld.
De oppotfunctie van geld werkt Steiner niet uit, terwijl die toch een grote rol kan spelen. In zijn visie is oppotten een verschijnsel dat anti-economisch werkt en voorkomen moet worden. Daartoe komt hij met wettelijke voorzieningen, die het oppotten moeten tegengaan, en met verouderend geld, dat oppotten afstraft met verlies van het geld, door slijtage.
Wanneer Steiner over koopgeld spreekt heeft hij hetzelfde voor ogen als wat gewoonlijk 'primaire liquiditeiten' (chartaal en giraal geld) wordt genoemd: bankbiljetten en/of tegoeden bij financiële instellingen waarmee betaald kan worden. De begrippen leen- en schenkgeld zijn als zodanig in het leerboek niet terug te vinden, maar wanneer dat laatste het geldscheppingsproces beschrijft kan je ontdekken waar het leengeld zich bevindt.
4.2.2 Geldschepping en -vernietiging
Koopgeld dient volgens Steiner geschapen te worden door een autonome economische autoriteit. De Nederlandsche Bank verzorgt deze vorm van geldschepping, maar ook de Algemene Banken. De Nederlandsche Bank heeft daarbij een controlerende en regulerende taak en is te beschouwen als de door Steiner bedoelde economische autoriteit. Steiner stelt dat dit koopgeld dán geschapen moet worden wanneer arbeid aan de natuur tot waardevorming leidt en dat is precies waar het in ons bestel anders gaat. Geldschepping door wederzijdse schuldaanvaarding, kredietverlening, is namelijk de belangrijkste vorm van geldschepping die wij hanteren.
Bij wederzijdse schuldaanvaarding wordt een krediet verstrekt, zonder dat daarvoor is gespaard. Weliswaar moet de bank een dekking hebben voor dit krediet, maar die hoeft slechts zo groot te zijn, dat kan worden voldaan aan de vraag naar chartaal geld. De debiteur krijgt met het krediet de beschikking over koopgeld, maar de spaarder houdt eveneens de beschikking over zijn koopgeld. Wat gebeurt, is dat er koopgeld in omloop wordt gebracht op basis van in de toekomst te vormen waarde.
In Faust II leert Mefistofeles deze truc aan de keizer, die met een lege schatkist is behept:
"Zu wissen sei es jedem, der's begehrt
Der Zettel hier ist tausend Kronen wert
Ihm liegt gesichert als gewisses Pfand
Unzahl vergrab'nen Guts im Kaiserland."
Leengeld (een tijdelijke overdracht van koopgeld) zou op zijn plaats zijn, maar in plaats daarvan wordt extra koopgeld geschapen, zonder dat daarvoor waardevorming heeft plaatsgehad.
De secundaire financiële instellingen (spaar- en hypotheekbanken, pensioenfondsen etc.) zijn de instellingen die werken met leengeld in de zin die Steiner bedoelt: zij trekken spaargelden aan en verstrekken leningen, waarbij de leningen nooit groter mogen zijn dan de spaartegoeden. Koopgeld wordt dus tijdelijk overgedragen.
Het begrip schenkgeld komt niet terug in het leerboek. Schenken wordt niet als economische noodzaak, of zelfs maar als speciale functie gezien.
Onder geldvernietiging wordt in het leerboek verstaan het onttrekken van geld aan de maatschappelijke geldhoeveelheid in enge zin, M1. Dat kan gebeuren door chartaal geld letterlijk te vernietigen, maar ook door het uit de roulatie te halen: het te storten in de kassen van de Nederlandsche Bank, de Algemene Banken of de staat. Ook het verkleinen van girale tegoeden wordt beschouwd als geldvernietiging.
Steiner verstaat onder geldvernietiging slechts het definitief ontwaarden van chartaal en/of giraal geld door de economische autoriteit. Geld in de kassen van de banken en de staat is wel tijdelijk aan de economie onttrokken, maar het is niet vernietigd zolang het weer in omloop kan worden gebracht.


