5. Keynes' voorstel voor Bretton Woods
5.1 Bretton Woods
In juli 1944 wordt in de VS de Conferentie van Bretton Woods gehouden. Het doel is een plan op te stellen om het internationale betalingsverkeer na afloop van de Tweede Wereldoorlog te herstructureren, op zo'n wijze dat de internationale arbeidsverdeling zoveel mogelijk wordt bevorderd. Er doen 44 landen mee; de Verenigde Staten en Groot-Brittanië spelen een hoofdrol. Tijdens de conferentie staan twee plannen centraal: het Amerikaanse plan-White en het Britse plan-Keynes. Men prefereert het plan-White en het plan-Keynes wordt ter zijde geschoven. Bretton Woods resulteert uiteindelijk in de oprichting van het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank.
In het kader van deze scriptie is het interessant het plan-Keynes nader te bekijken, omdat daarin iets is terug te vinden van Steiners idee van de associatie-economie.
5.2 Het plan-Keynes
In zijn voorstel noemt Keynes een aantal eisen die aan het nieuwe internationale betalingsverkeer gesteld moeten worden:
- Er is een nieuw valutastelsel nodig dat algemeen erkend is en dat wordt gebruikt bij internationale handel. Dit stelsel wordt gebruikt door de Centrale Banken (of Ministeries van Financiën), terwijl alle andere banken en private ondernemingen doorgaan op de oude voet, met hun eigen valuta.
- Wisselkoersen dienen vastgesteld te zijn, zodat er niet gemanipuleerd kan worden met de- en revaluaties.
- Er is een quantum van de internationale valuta nodig, dat niet wordt bepaald door onvoorspelbare invloeden als de technische vooruitgang in de goudindustrie, of door de goudpolitiek van landen, maar slechts door de actuele behoefte van de wereldhandel. Dat quantum moet ook kunnen worden ingezet om deflatie of inflatie te beheersen.
- Er moet een stabilisatiemechanisme in zitten dat elk land er toe beweegt zijn handelsbalans min of meer in balans te brengen en te houden.
- Er is een plan nodig om na de oorlog alle landen van een basiskapitaal te voorzien, waarmee ze hun economieën weer kunnen opbouwen.
- Overschotten op de handelsbalans, die niet worden gebruikt door het betreffende land, moeten kunnen worden aangewend om elders de economie te laten lopen, overigens zonder het eigendomsrecht of het recht het tegoed op te nemen aan te tasten.
(een duitse vertaling van Keynes' artikel in: Leber, S. (ed.), 1989, Wesen und Funktion des Geldes - zahlen, leihen und schenken im volklswirtschaftlichen Prozess, Stuttgart: Freies Geistesleben, pp.323-349. Sozialwissenschaftliches Forum Band 3.)
5.2.1 Keynes' voorstel
Uitgaand van deze eisen komt Keynes met het voorstel tot oprichting van een International Clearing Union (ICU). Deze ICU zou een internationale valuta moeten beheren, die Keynes de bancor noemt. De waarde van de bancor is gerelateerd aan een hoeveelheid goud en de valuta van elk land heeft een vaste wisselkoers met de bancor. Onder voorwaarden is het mogelijk de wisselkoersen aan te passen, maar dat kan een land nooit op eigen gelegenheid doen.
Alle deelnemende landen hebben een tegoed (in het geval van een overschot op de betalingsbalans) of een schuld (bij een tekort) bij de ICU. Deze tegoeden en schulden worden uitgedrukt in bancor. De tegoeden zijn niet opvraagbaar, wel overdraagbaar.
Waar het Keynes nu om gaat, is dat de landen niet langer een schuld/tegoed-verhouding hebben ten opzichte van een handelspartner, maar ten opzichte van de ICU. Zo ontstaat er een systeem van wederzijdse schuldaanvaarding. De ICU bekleedt op deze wijze de functie die in de nationale economieën wordt bekleed door de banken.
Er zijn grenzen aan de tegoeden en schulden die landen mogen opbouwen. Elk land krijgt een (periodiek bij te stellen) quotum toegewezen, dat niet mag worden overschreden zonder maatregelen te moeten nemen om weer onder het plafond te komen. Bovendien stelt Keynes voor om op zowel tegoeden als schulden bij de ICU een progressief tarief te heffen. Dit stimuleert de landen om hun handel zoveel mogelijk in balans te houden. Niet alleen de landen met een tekort worden bewogen een oplossing te vinden voor hun situatie, maar ook de landen met een overschot.
Hier voegt Keynes nog een interessant idee aan toe. Hij oppert de mogelijkheid dat landen hun tegoeden bij de ICU (onder voorwaarden) uitlenen aan landen met schulden. Dit maakt dat overschotlanden niet gedwongen worden tot import over te gaan van producten die ze eigenlijk niet willen hebben, maar hun tegoeden kunnen uitlenen. Het kapitaal dat door de tegoeden wordt gerepresenteerd kan dan weer productief worden aangewend, in plaats van dat het geconsumeerd wordt of geparkeerd staat. Een dergelijk uitlenen wordt gestimuleerd, doordat het betekent dat de tegoeden en schulden van de betrokken landen kleiner worden en er een lager tarief over hoeft te worden betaald.
5.2.2 Optimaliseren van de handel
Keynes' voorstel komt neer op het creëren van een internationale valuta en een internationale bank, waarbij landen tegoeden of schulden kunnen hebben. In hun handelsbetrekkingen hoeven de landen niet langer in balans te zijn met elk afzonderlijk land, maar nog slechts met één partner: de ICU.
Om landen te stimuleren ook inderdaad in balans te komen wordt er een progressief tarief geheven op zowel tegoeden als schulden. Overschotlanden die geen behoefte hebben aan meer import en tekortlanden die geen kans zien meer te exporteren, kunnen elkaar te hulp komen door van en aan elkaar te lenen.
Het uitlenen van een overschot, waarmee de ander de mogelijkheid krijgt bijvoorbeeld technologie of kapitaalgoederen te importeren, betekent voor het uitlenende land niet dat de eigen mogelijkheden worden beperkt. Het betreft uiteindelijk slechts een tijdelijke overdracht van de mogelijkheid te importeren, een mogelijkheid die het land zelf onbenut laat. De binnenlandse geldhoeveelheid en koopkracht worden er niet door veranderd. Het lenende land oefent bovendien vraag uit, welke ook de economie van het uitlenende land kan stimuleren.
5.3 De link met Steiners theorie
Waar ligt nu de link met Steiners associatie-economie? Steiner spreekt van economische eenheden, de associaties, die min of meer autonoom zijn, maar wel verbindingen aangaan met andere associaties en handel met elkaar drijven. De betrekkingen tussen de verschillende landen zijn te beschouwen als die van associaties: er wordt handel gedreven en elk land heeft zijn eigen economische bestuur. Dat wil overigens niet zeggen dat de economische inrichting van elk land afzonderlijk voldoet aan de associatie-idee.
Maar wat vooral interessant is, is hoe Keynes met kapitaal en geld omgaat. De tegoeden bij de ICU zijn feitelijk ophopingen van kapitaal, terwijl de schulden aangeven dat het betreffende land een tekort aan kapitaal heeft. De allocatie van het kapitaal is dus uit balans. Keynes wil met zijn quota en tarieven bewerkstelligen dat het kapitaal beter gealloceerd wordt, dat landen het niet onbenut vasthouden, maar een zinvolle bestemming ervoor zoeken. Hij stelt een 'wettelijke' maatregel voor, die landen praktisch dwingt kapitaal ter beschikking te stellen van de wereldeconomie, wanneer ze er zelf niets mee doen. Dit is geheel in overeenstemming met wat Steiner zegt over het beheer en gebruik van kapitaal.
Een ander aspect is het tarief op tegoeden en schulden. Wie zijn tegoed niet gebruikt (dat wil zeggen: het bijbehorende geld niet in omloop brengt) ziet het uiteindelijk verminderen. Dit lijkt sterk op het verouderen van geld, zoals Steiner dat bedoelt. Wanneer geld in omloop is, als koopgeld wordt benut, behoudt het zijn waarde: er wordt geen tarief opgelegd en het betreffende land wordt niet armer. Maar wie zijn geld niet benut en het als tegoed bij de ICU laat staan wordt geconfronteerd met het tarief, welk bewerkstelligt dat de totale kapitaalmassa van het land langzaam maar zeker afneemt: het geld slijt in de loop van de tijd, omdat het niet wordt gerevitaliseerd door het economische proces.
Bij de schuldenaar is iets dergelijks aan de hand. Kan je van de tegoedhouder zeggen dat hij zijn geld niet in de economie stopt, maar in de aarde begraven heeft, waar het langzaam sterft, zo kan je van de schuldenaar zeggen dat hij zijn geld niet in de economie stopt, maar het in de hemel laat zitten. Ook daar sterft het geld langzaam. De tegoedhouder heeft gerealiseerd geld, werkelijk voortgebracht geld en weigert het te benutten. De schuldenaar heeft potentieel geld, heeft als het ware de belofte gedaan geld te genereren door te exporteren, maar realiseert dat niet in de werkelijkheid. Hij komt zijn belofte niet na en zijn potentiële geld krijgt niet de gelegenheid te revitaliseren in het economische proces en slijt. Het potentiële geld slijt en het wordt steeds moeilijker om het te realiseren. Dit wordt vorm gegeven in het tarief op schulden: hoe langer de schuld blijft staan, hoe meer van zijn kapitaalmassa het land moet afstaan om het tarief te betalen. De schuldenaar wacht te lang met het voldoen van de schuld en in die tijd verslijt zijn geld. Hij revitaliseert het niet.
Keynes heeft dus raakvlakken met Steiner: de economische associatie komt bij hem terug, er zijn waarborgen die er voor zorgen dat kapitaal benut wordt op dusdanige wijze dat het de collectieve welvaart ten goede komt, en er is een voorziening die maakt dat geld slijt.
Steiner en Keynes hebben elkaar nooit ontmoet. Of zij van elkaars werk op de hoogte waren weet ik niet. Maar elk op hun eigen wijze komen ze tot gelijksoortige ideeën over wat de mens nodig heeft in het economische leven.


