7. Samenvatting en conclusies
7.1 Antroposofie en economie
Steiner ziet het economische leven als een integraal onderdeel van de samenleving, die drie geledingen kent: geestesleven, economisch leven en rechtsleven. Deze drie geledingen moeten elk op eigen wijze bestuurd worden en moeten ook in hoge mate autonoom zijn. Maar tegelijk zijn ze, zoals autonome staten in een internationale gemeenschap, van elkaar afhankelijk. Steiner spreekt over de sociale driegeleding.
Het economisch leven heeft betrekking op productie, circulatie en consumptie van waren. Elk mens behartigt binnen dit gebied zijn eigen deelbelangen. Het rechtsleven dient daaraan randvoorwaarden te stellen in de vorm van wetgeving, met als belangrijkste doel te voorkomen dat de menselijke waardigheid ondergeschikt wordt gemaakt aan de economie. Het geestesleven zorgt dat er nieuwe ideeën binnenstromen in de economie, waardoor het economische proces efficiënter kan verlopen. Op zijn beurt dient de economie het geestesleven te voeden door het middelen ter beschikking te stellen, waarmee individuen en groepen hun geestelijke mogelijkheden kunnen ontplooien.
Als grondslag voor de samenleving formuleert Steiner zijn sociale hoofdwet. Deze zegt dat het welzijn van de samenleving groter wordt naarmate het individu minder van de resultaten van zijn eigen prestaties voor zichzelf opeist en ze meer ter beschikking van de gemeenschap stelt. De laissez faire filosofie zegt dat de 'invisible hand' van de markt daar wel voor zorgt, Steiner meent dat dat alleen door wettelijke maatregelen te bewerkstelligen is. Een gezonde economie is alleen dán mogelijk, wanneer ook het rechts- en geestesleven goed functioneren.
De consequentie van de sociale driegeleding voor de economie is, dat die wordt georganiseerd in associaties van producenten, handelaren en consumenten uit allerlei branches, die gezamenlijk een economische eenheid vormen. Associaties hebben onderling handelsrelaties voor zover daaraan behoefte is. Elke associatie heeft zijn eigen economisch bestuur, gevormd uit terzake kundigen, welk productie, inzet van kapitaal en arbeid, prijsvorming etc, coördineert. Daarbij dient het bestuur niet te werken volgens een theoretisch concept van hoe de economie werkt en zou moeten werken, maar het dient zich te baseren op de alledaagse praktijk van de betreffende associatie.
Steiner stelt dat de economie slechts vanuit het economische leven bestuurd dient te worden, dat de staat daarin geen taak heeft dan te zorgen voor de rechtspositie van de mensen. Allerlei economische functies die de staat in onze huidige samenleving op zich heeft genomen (sociale voorzieningen en conjunctuurpolitiek bijvoorbeeld) zouden bij het economische bestuur moeten worden ondergebracht. Het economische leven zou vanuit de praktijk moeten zijn georganiseerd in associaties, die als zelfstandige economische eenheden kunnen opereren. De staat zorgt daarbij voor een wetgeving die garandeert dat de resultaten van individuele prestaties zoveel mogelijk ten goede van de gemeenschap komen.
Economie betreft volgens Steiner productie, circulatie en consumptie van waren. Onder 'waren' worden verstaan die goederen en diensten die uit arbeidsdeling voortkomen en een economische waarde dragen. Economische waarde kan in het productieproces op twee manieren tot stand komen: doordat 'natuur' door 'arbeid' wordt bewerkt, of doordat 'arbeid' door 'geest' productief wordt gemaakt. Tijdens de gang door het productieproces wordt er steeds waarde aan de waar toegevoegd. Steiner spreekt daarom van dynamische waardevorming.
Natuur, arbeid en geest zijn de productiefactoren in de economie. Kapitaal (het resultaat van het samengaan van natuur, arbeid en geest) verdringt bij het voortschrijden van de economische ontwikkeling, de natuur als grondslag van de economie. Maar het wordt nooit een echte productiefactor: het blijft een afgeleide.
Bij de circulatie van waren treedt een prijs op. Een juiste prijs is die, die de producent in staat stelt in zijn levensonderhoud te voorzien gedurende de tijd die nodig is om opnieuw een zelfde product te produceren. In praktijk wordt de juiste prijs het beste benaderd door handel via handelaren te laten verlopen en niet direct tussen producent en consument.
Wanneer een waar voor de consument staat is de dynamische waardevorming beëindigd en wordt vervangen door een statische waardevorming, waarbij de waarde wordt bepaald door de kostprijs van de aanbieder en de behoeften van de consument. Een prijs resulteert en de consument vernietigt zowel de waar als de waarde daarvan, door consumptie.
Steiner definieert als waren (dragers van economische waarde) die zaken die door arbeidsdeling tot stand zijn gebracht. Dat betekent dat de productiefactoren natuur, arbeid en geest geen economische waarde dragen en dus geen prijs kunnen hebben. Voor waren is weliswaar aan te geven welke elementen een rol spelen in de prijsopbouw, maar een exacte prijsberekening op theoretische grond is niet mogelijk, omdat er onzekere elementen (zoals ondernemerstalent) een rol spelen. Slechts in de praktijk kunnen prijzen worden bepaald. Dat geldt zeker voor de consumentenprijs, die in belangrijke mate van de subjectieve behoeften van de consument afhankelijk is.
Er zijn drie manieren om waarde over te dragen: door kopen, door lenen en door schenken. Elk van deze overdrachtsmanieren is geschikt voor specifieke situaties: kopen bij het ruilen van waarde, lenen bij het tijdelijk ter beschikking stellen van waarde en schenken bij het definitief en zonder voorbehoud afstaan van waarde.
Voor schenking komen diegenen in aanmerking die niet in staat zijn door productie in hun levensonderhoud te voorzien. Daarmee wordt sociale zorg tot stand gebracht. Maar ook is het voor een economie essentieel schenkingen ter beschikking te stellen aan geestelijke arbeiders, omdat zij innovatie mogelijk maken: zonder schenkingen geen geestelijke arbeid en geen economische ontwikkeling.
Hier wordt als essentiële economische functie het schenken (ten behoeve van het geestesleven) naar voren gebracht. Steiner benadert de economie op een fundamenteel andere wijze dan gebruikelijk is, door te stellen dat vertrouwen in de mens essentieel is voor verdere ontwikkeling. De (neo)klassieke economie komt niet verder dan het stellen van vertrouwen in de invisible hand, die het menselijk egoïsme in goede banen leidt.
7.2 Antroposofie en kapitaal
Kapitaal wordt door Steiner gezien als door de geest omgewerkte natuur (waarbij de arbeid een bemiddelende rol speelt), welke niet alleen door arbeid, maar ook door de geest productief kan worden gemaakt.
Kapitaal maakt twee fasen door. In de eerste is het nog opgeslagen arbeid, in de vorm van een productiemiddel. Door zulk kapitaal aan te wenden in de productie, kan winst worden gemaakt. Deze winst vormt dan tweede fase kapitaal: abstracte waarde. Voor het hanteren van abstracte waarde is geld noodzakelijk.
De productiviteit van het eerste fase kapitaal is afhankelijk van de hoeveelheid opgeslagen arbeid. De productiviteit van het tweede fase kapitaal is afhankelijk van de ondernemersgeest van degene die het aanwendt.
Wanneer kapitaal wordt ingezet in het productieproces, dan ontstaan er drie verhoudingen van het kapitaal tot de samenleving: de ondernemersactiviteit, die door het geestesleven bestuurd zou moeten worden; de rechtsverhouding tussen kapitalist en arbeider, die door het rechtsleven gestructureerd moet worden; de eigenlijke productie van waren, die door het economische bestuur geregeld zou moeten worden.
Het inzetten van kapitaal vereist dat er zelfstandige besturen zijn voor de drie sociale geledingen. In de huidige praktijk is met name van een invloed van het geestesleven geen sprake. De markt (ons economisch bestuur) bepaalt waar kapitaal wordt ingezet, de staat geeft wetten voor de rechtsverhoudingen van kapitalist en arbeider. Daarnaast is er een belangrijke invloed van de 'sociale partners' vanuit machtsverhoudingen (welke onder het gebied van het recht vallen).
Steiner geeft nog een indeling van kapitaal naar macro-economische uitwerking: handels-, leen- en industriekapitaal. Pre-industrieel Engeland bezat voornamelijk handelskapitaal, vergaard door intensieve handel met het buitenland, welke mogelijk was door internationale handelsvoordelen. Leenkapitaal is terug te vinden in 19de eeuws Frankrijk, dat grote leningen in het buitenland had uitstaan. Een land dat over veel leenkapitaal beschikt heeft behoefte aan stabiele internationale verhoudingen. 19de eeuws Duitsland beschikte over grote hoeveelheden industriekapitaal, kapitaal vastgelegd in productiemiddelen. Bezit van zulk kapitaal kweekt behoefte aan grondstoffen en afzetmarkten, wat kan leiden tot agressieve buitenlandse politiek.
Deze indeling is ook op micro-niveau door te voeren, waarbij handelskapitaal met het rekening-courant is te vergelijken, leenkapitaal met (middel)lang krediet en risicokapitaal (industriekapitaal) met eigen vermogen en aandelen.
Wanneer deze soorten kapitaal inderdaad bepalend zijn voor en bepaald worden door internationale verhoudingen, dan zou dat pleiten voor een min of meer gelijkmatige verdeling van deze kwaliteiten over de wereld, om internationale onrust te voorkomen.
Steiner ziet kapitaal als het resultaat van individuele inspanning in de samenleving. Daarom is het onterecht dat het beschikkingsrecht over het kapitaal volledig en permanent bij individuen ligt. Het zou ten behoeve van de samenleving productief moeten worden gemaakt en op den duur aan de samenleving moeten toevallen. Exacte regelingen over hoe dat toevallen aan de samenleving moet gebeuren, zouden in de praktijk door het rechtsleven moeten worden uitgewerkt. In elk geval lijkt duidelijk dat kapitaal niet mag accumuleren bij individuen die voor het ontstaan van dat kapitaal geen prestaties hebben geleverd. Wanneer het wel bij individuen accumuleert, geeft dat hen machtsposities ten opzichte van anderen, die het economisch leven kunnen verstoren. In geen geval mag kapitaal accumuleren bij de staat, zoals het marxisme dat wil: Steiner vreest dat dan economische belangen het recht in het gedrang brengen. Als juiste plaats voor het kapitaal om uiteindelijk te belanden ziet hij het geestesleven: kapitaal is immers het resultaat van het inzetten van de geest. Daar moet het vervolgens worden geconsumeerd, zodat het geestesleven kan zorgen voor een nieuwe toevoer van geestelijke creativiteit in de samenleving.
Voor winst houdt Steiner eenzelfde verhaal: de ondernemer die winst maakt krijgt volgens afspraak een deel als beloning voor het resultaat van zijn activiteit. De rest van de winst wordt productief aangewend ten behoeve van de samenleving en uiteindelijk geschonken aan het geestesleven.
Steiner wendt zich met dit standpunt af van zowel het kapitalisme als het socialisme, die beiden kapitaal willen laten accumuleren, bij individuen of staat. Hij is van mening dat kapitaal en winst in elk geval op den duur moeten worden geschonken aan het geestesleven, om daar geconsumeerd te worden. Dit is iets heel anders dan winst gebruiken voor Research & Development (R&D). Bij R&D bepaalt een onderneming zelf voor welke projecten het geld wordt gebruikt en zal kiezen voor commercieel interessante projecten. Wat Steiner beoogt is het schenken aan een weinig gespecificeerde instantie, die er voor zorgt dat het geld wordt gebruikt voor persoonlijke ontplooiing, op een gebied dat die instantie het beste lijkt. Dat kán resulteren in een spoedige ontwikkeling van een nieuwe techniek, maar evengoed in muziekonderwijs voor een groep kinderen. Het kapitaal wordt dan niet gebruikt om de geestelijke ontwikkeling af te stemmen op de economie, maar om vanuit het geestesleven nieuwe, eigentijdse randvoorwaarden te creëren voor de economie.
Rente ziet Steiner als de prijs van een lening, het afkopen van de verplichting tot een wederkerige lening. In de huidige complexe economie is rente voor leningen net zo onontbeerlijk als geld voor koop en verkoop. Rente heeft twee effecten. Ten eerste maakt een hoge rente dat productie duur wordt. Ten tweede maakt een lage grondhypotheekrente dat de prijzen van grond stijgen. Het is in het belang van de economie dat productie zo goedkoop mogelijk is. Dat pleit voor lage rentetarieven. Een lage rente betekent echter ook hoge grondprijzen: grote hoeveelheden kapitaal worden ongebruikt op grond gefixeerd, wat tegen het belang van de economie in gaat. Steiner pleit daarom voor een lage rente op persoonlijke leningen en een hoge rente op hypothecaire leningen. Het resultaat zou zijn: goedkope productie en geringe fixatie van kapitaal in grond. De staat zou daarom een rechtvaardig rentevoet moeten vaststellen, welke recht doet aan de crediteur én aan het economisch belang.
Wanneer mensen betrokken zijn bij de producenten, zullen zij een deel van hun rente willen inruilen voor het belang dat zij hebben bij productie van de betreffende waren, zodat de rentevoet nog lager kan zijn.
De rentevoet wordt in onze huidige samenleving bepaald door de markt en de economische autoriteiten (lees: de Nederlandsche Bank en de overheid). Er liggen vooral economische motieven aan ten grondslag, en daarnaast rechtvaardigheidsmotieven voorzover er maxima worden ingesteld voor rentetarieven. Verder bestaat er een ruime mogelijkheid van handel in grond en is de hypotheekrente lager dan de rente op persoonlijk krediet. De situatie is dus net andersom als Steiner wenselijk acht. Zonder wettelijke maatregelen lijkt het onmogelijk om daar iets aan te doen.
Het meest effectieve middel tegen het ophopen van kapitaal in grond is volgens Steiner het schenken van grond aan instanties uit het geestesleven. Daardoor wordt het onmogelijk nog langer kapitaal te beleggen in iets wat geen economische waarde heeft. Het kapitaal kan dan nog uitsluitend worden aangewend om productief te maken, om iets mee te kopen dat een economische waarde heeft, of om te schenken. Door wettelijke maatregelen die de privézeggenschap over kapitaal beperken, zal uiteindelijk al het overtollige kapitaal bij het geestesleven terechtkomen, omdat dat de enig zinvolle bestemming is om iets aan te schenken. Wanneer er teveel wordt geschonken dan zal er te weinig kapitaal overblijven om de economie te moderniseren. Wanneer er te weinig wordt geschonken, dan zullen er te weinig nieuwe ideeën opkomen om kapitaal zinvol in te investeren.
Op het eerste gezicht lijkt Steiner een aardige oplossing te hebben gevonden om fixatie van kapitaal te voorkomen. Maar wat gebeurt er wanneer de geestelijke instanties de grond vervolgens weer verkopen? Dat zou dan wettelijk onmogelijk gemaakt moeten worden. Een praktisch bezwaar is mensen te vinden die hun grond, waarin ze tonnen of miljoenen hebben geïnvesteerd, willen schenken. Waarschijnlijk is iets dergelijks slechts te realiseren door het erfrecht te veranderen, zoals Steiner ook al voorstelde voor het erfrecht over kapitaal. Het lijkt me een oplossing die pas op lange termijn vruchten afwerpt.
7.3 Antroposofie en geld
Geld is de abstracte representant van waarde. Haar belangrijkste functie is het scheppen van de mogelijkheid kapitaal uit te lenen en de geest werkzaam te doen zijn in de economie. Niet de staat, maar de economische autoriteit dient het geld te scheppen en een wettelijke basis te verlenen. De juiste plaats in de economische kringloop om dat te doen, is tussen diegenen die schenkgeld ontvangen en diegenen die natuur bewerken, omdat de schenkingontvangers geen nieuwe waarde meer produceren en de natuurbewerkers dat juist wel doen.
Steiner stelt dat in eerste instantie het bestaan van kapitaal tot het bestaan van geld noodzaakt. In het algemeen wordt geld gezien als onstaan uit de behoefte het ruilverkeer van goederen te vergemakkelijken. Of in de historie ruilhandel met geld eerder bestond dan een vorm van kapitalisme of andersom lijkt me discutabel. Waar Steiner op doelt, is dat ruilhandel zonder geld mogelijk is, maar kapitalisme zonder geld niet.
In de huidige praktijk wordt geld primair geschapen door de economische autoriteit (de Nederlandsche Bank) of onder toezicht van die autoriteit (door algemene banken). Steiner is van mening dat de geldhoeveelheid direct moet samenhangen met de hoeveelheid waren die in omloop is. In de huidige praktijk blijkt een groot deel van het (girale) geld geschapen te worden als wederzijdse schuldaanvaarding, zonder dekking.
Om de hoeveelheid geld te laten corresponderen met de in omloop zijnde waarde, stelt Steiner dat geld, net als waren, moet slijten. Daartoe zou kapitaal vroeger of later aan het geestesleven moeten worden geschonken, om daar te worden geconsumeerd. Het geld dat door het geestesleven wordt uitgegeven dient dan door de economische autoriteit te worden ingenomen en vernietigd. In de plaats daarvan krijgen de natuurbewerkers voor hun producten 'vers' geld.
In dit geval beschouwt Steiner geld als waardemeter, die zo goed mogelijk moet aangeven hoeveel waarde er in omloop is. Bovendien functioneert het geld dan als boekhouding die aangeeft wáár de waarde zich bevindt. Het ligt aan de kundigheid van de economische autoriteit of zij voldoende geld schept en vernietigt om te voorkomen dat inflatie optreedt.
De eerder genoemde vormen van overdracht van waarde hebben elk hun eigen soort geld. Bij kopen hoort 'koopgeld': dat wat bemiddelt bij ruil en zijn waarde ontleent aan de waarde der waren. Bij lenen hoort 'leengeld': het geld dat tijdelijk wordt overgedragen opdat een ondernemer actief kan zijn. Het ontleent zijn waarde aan het talent van de ondernemer. Bij schenken hoort 'schenkgeld': geld dat bijna versleten is en in het geestesleven geconsumeerd moet worden. Het gaat hierbij niet om drie verschillende muntsoorten, maar om drie verschillende manieren waarop geld zich in de samenleving gedraagt. Steiner stelt dat geld werkelijk van karakter verandert, ook wanneer we dat niet specifiek tot uitdrukking brengen. In eerste instantie is geld koopgeld, maar wanneer kapitaal ontstaat verandert het karakter van het geld in dat van leengeld. Omdat de ten grondslag liggende waren slijten, slijt ook het koopgeld, wat betekent dat het tenslotte het karakter van schenkgeld krijgt: geld dat alleen nog geschikt is om definitief geconsumeerd te worden.
Om deze karakterveranderingen in het geld tot uitdrukking te brengen stelt Steiner voor het koopgeld van een vervaldatum te voorzien. Het blijft dan zijn nominale waarde als koopgeld behouden tot deze datum. De leenwaarde vermindert naarmate de vervaldatum meer benaderd wordt en na het verstrijken van de datum is het geld zijn waarde kwijt, wat betekent dat het moet zijn aangewend voor definitieve consumptie.
Steiner introduceert hier een vierde waarde-oorsprong, die specifiek is voor leengeld: het talent van de ondernemer. Opnieuw grijpt hij naar de onvoorspelbare factor van de geest en geeft aan dat economie pricipieel niet te berekenen is, maar steeds een onzeker element in zich draagt.
Door geld te dateren zou het 'vanzelf' op de juiste manier worden aangewend als koop-, leen- of schenkgeld. Het idee is dat het allernieuwste geld steeds bij de natuurbewerkers in de economie terecht komt en vervolgens in de economie gaat circuleren. Uiteindelijk belandt het ergens in het bedrijfsleven als bijna versleten kapitaal, waarvandaan het dan naar het geestesleven wordt doorgesluisd. Op deze wijze maakt het geld een kringloop door de economie, beginnend bij zijn geboorte in de natuurbewerking, tot zijn dood in het geestesleven, waarna een soort reïncarnatie plaatsvindt in de natuurbewerking.
7.4 De gangbare theorie
7.4.1 Kapitaal
De gangbare theorie is niet ondubbelzinnig over het wezen van het kapitaal. Soms wordt het beschouwd als primaire productiefactor (tezamen met 'natuur'), soms als afgeleide productiefactor.
De vorming van kapitaal in twee fasen wordt niet genoemd, maar is wel terug te vinden in de twee zijden van de balans van een onderneming. Hetzelfde geldt voor de verdeling van kapitaal in de groepen handels-, leen- en industriekapitaal.
Het privébezit van kapitaal is onaantastbaar en er worden geen bezwaren aangevoerd tegen het vererven van kapitaal. De markt wordt gezien als waarborg voor het economisch verantwoord inzetten van kapitaal.
Winst wordt gezien als restinkomen, dat toevalt aan één of meer factorbezitters.
De rentevoet wordt bepaald door de markt en is afhankelijk van de looptijd van de lening, het risico en de overdraagbaarheid. Hypothecair krediet is in het algemeen goedkoper dan persoonlijk krediet, wat een duurmakende invloed heeft op de productie en wat maakt dat geld de neiging heeft in grond gefixeerd te worden. Renteverscillen tussen landen kunnen kapitaalstromen oproepen, die niets te maken hebben met de productiviteit van de ondernemers in de betrokken landen, maar met de rentevergoeding die de kapitaaleigenaren krijgen.
Grondrente wordt beschouwd als een beloning voor de factor grond. Er wordt dus van uitgegaan dat het inzetten van grond deel van economische ruil is, iets wat Steiner bestrijdt.
7.4.2 Geld
De gangbare literatuur onderscheidt drie functies aan geld: een ruilfunctie, een rekenfunctie en een opppotfunctie. De oppotfunctie wordt door Steiner niet genoemd.
De verdeling van het geld in koop-, leen- en schenkgeld komt niet voor. Koopgeld is eigenlijk de enige soort geld die je kunt terugvinden en wel als "bankbiljetten en/of tegoeden bij financiële instellingen waarmee betaald kan worden".
Geldschepping gebeurt door of onder toezicht van de economische autoriteit (zoals De Nederlandsche Bank). Als zeer belangrijke vorm van geldschepping wordt genoemd de wederzijdse schuldaanvaarding, waarbij geld wordt geschapen, zonder dat daarvoor een werkelijke waarde als dekking fungeert.
Schenken wordt niet aangemerkt als een bijzondere economische functie.
Geldvernietiging is alles wat geld uit de roulatie haalt. Dat kan zijn het letterlijk vernietigen van chartaal geld, maar ook het storten van geld in de kassen van de centrale bank, de algemene banken of de staat. Ook het verkleinen van girale tegoeden wordt gezien als geldvernietiging.
7.5 Het plan-Keynes
Keynes presenteert op de Conferentie van Bretton Woods een plan om het internationale betalingsverkeer na afloop van de Tweede Wereldoorlog te herstructureren. Het plan wordt niet aangenomen.
Het plan komt er op neer een International Clearing Union (ICU) op te richten, die een internationale valuta beheert, de bancor. Binnenslands regelen ondernemingen hun zaken met de banken in hun eigen valuta, terwijl de centrale banken de internationale transacties afwerken bij de ICU. De ICU wordt daarmee de enige partner van ieder land, wat de handel zal versoepelen. Het werkt ongeveer hetzelfde als een gewone bank bij binnenlandse transacties.
Elk land heeft een tekort of tegoed bij de ICU, dat binnen zekere grenzen moet blijven. Wordt de grens overschreden, dan moet het land een tarief betalen. Deze regeling stimuleert alle landen hun handel in balans te houden.
Er is de mogelijkheid tegoeden uit te lenen aan landen met tekorten, wat voordelig is voor beiden, omdat daarmee beiden betaling van het tarief kunnen voorkomen. Het bedoelde resultaat hiervan, is dat de handel zoveel mogelijk in beweging blijft. Er hopen zich geen handelsoverschotten en -tekorten op.
De link met Steiner is dat de aangesloten landen overeenkomsten vertonen met de associaties: het zijn autonome economische eenheden, die handel drijven, maar zichzelf blijven.
De tegoeden bij de ICU zijn in wezen ophopingen van kapitaal en de schulden geven aan dat het betreffende land een tekort aan kapitaal heeft. Het systeem van uitlenen van tegoeden, maakt dat het kapitaal niet nutteloos wordt bewaard, maar zoveel mogelijk wordt gebruikt. De organisatie is zo ingericht dat het aantrekkelijk is je kapitaal ter beschikking te stellen aan een ander, wanneer je het niet zelf kunt gebruiken, overigens zonder dat daarvoor een rente wordt vergoed.
Het tarief op te grote overschotten en tekorten heeft een werking die te vergelijken is met het verslijten van geld. Wanneer geld onbenut blijft staan op de rekening van de ICU, dan veroudert het en zou het dus in waarde moeten verminderen. Omdat het land het tarief moet betalen, wordt het steeds armer, ongeacht of het een tegoed of een schuld heeft. Het wendt zijn geld niet productief aan, met als gevolg dat het verdwijnt.
7.6 De Triodosbank
De Triodosbank is in 1980 opgericht, om bankactiviteiten te verzorgen voor een aantal maatschappijvernieuwende organisaties, voornamelijk afkomstig uit de antroposofische richting. In het begin was de bank vooral op deze groepen gericht, maar later zocht ze een veel breder publiek. De kerntaken van de bank liggen in het zakelijk krediet en het sparen.
De bank probeert vorm te geven aan de antroposofische ideeën over economie. Dat betekent dat de spaarders goed worden voorgelicht over wat er met hun spaargeld gebeurt. Ook kan de spaarder zelf richting geven aan zijn geld, door te kiezen voor een speciale rekening.
De bank stimuleert het schenken door het zogenaamde 'sparen met rentebestemming', waarbij de spaarder extra rente krijgt, onder voorwaarde dat hij een deel van zijn rente wegschenkt.
Niet iedereen kan aankloppen voor een krediet. Consumptief krediet wordt vrijwel nooit verleend, wie een zakelijk krediet wenst, moet in elk geval aannemelijk maken een 'maatschappelijke meerwaarde' na te streven. Dat kan bijvoorbeeld betekenen: biologische landbouw, nieuwe woonvormen of windenergie.
De rentevoet die de Triodosbank hanteert ligt meestal lager dan bij andere banken, zowel voor de spaarder als voor de crediteur. Bij de crediteur wordt bovendien nog gekeken naar de draagkracht.
Dat de Triodosbank in een behoefte voorziet mag blijken uit het balanstotaal, dat groeide van 12 miljoen in 1981 tot fl.136 miljoen in 1992.
Het ontbreken van een associatieve structuur is in het nadeel van de bank, waardoor een werkelijk contact tussen spaarder en crediteur moeilijk is. Veel verder dan het verspreiden van bewustzijn van wat er met het geld gebeurt komt de bank niet.
De bank doet wel haar best geld uit te zetten bij ondernemingen die een duidelijke maatschappelijke doelstelling hebben, maar beslist daar autonoom over. De enige inspraak die de spaarder heeft is 'voting by the feet'.
Consumptie van kapitaal treedt nauwelijks op. Via de rentebestemmingsrekening gebeurt het wel in enige mate, maar daar houdt het ook mee op. Deze rekening is overigens een uniek fenomeen in de bankwereld en een stap op weg naar kapitaalconsumptie.
De winstbestemming vind ik moeilijk te beoordelen. De vermogenverschaffers krijgen een uitkering die afhankelijk is van de winst en aan een maximum is verbonden. In die zin zijn ze geen gewone spaarders die een vastgestelde rente ontvangen. Maar ze zijn ook geen echte ondernemers, want ze hebben geen zeggenschap en bemoeien zich ook niet op andere wijze met de bedrijfsvoering. Een deel van de winst wordt zeker aangewend om de 'productiviteit' van de bank in stand te houden en een deel wordt voor schenking gebruikt. Het lijkt er op dat de bank hiermee aardig voldoet aan de ideeën die Steiner formuleert.
Interessant in dezen is een bepaling in de statuten van de bank, die zegt dat bij liquidatie de aandeelhouders het saldo uitgekeerd krijgen tot een maximum van het nominaal bedrag van ieders aandelen. De rest wordt ter beschikking gesteld aan de Stichting Triodos. Hierdoor kan zich bij de aandeelhouders/certificaathouders geen kapitaal ophopen dat uit sociale productie is voortgekomen.
7.7 Algemene conclusie
Steiner wijkt grondig af van wat ik tot nu toe van de economische wetenschap gewend ben. Om te beginnen vooronderstelt hij een samenleving waarin geestesleven, rechtsleven en economie elk een eigen besturend principe hebben. Dit zou er toe leiden dat de samenleving op economisch gebied wordt ingedeeld in associaties, waarin door de wet vastgestelde randvoorwaarden bewerkstelligen dat niet zonder meer het eigenbelang wordt nagestreefd, maar dat sociale productie plaatsvindt. Een grondige maatschappij-hervorming is dus nodig. Dat is overigens geen onbekend fenomeen in de sociaal-economische wetenschap (men denke bijvoorbeeld aan Marx).
Steiner hanteert gedeeltelijk afwijkende productiefactoren: natuur, arbeid en geest. Deze productiefactoren kunnen volgens hem niet betaald worden, omdat ze geen economische waarde dragen. Dit wijkt volledig af van het idee dat economische agenten worden beloond voor de inzet van hun factoren.
Steiner wijst het accumuleren van kapitaal af. Het kan wel gevormd worden en verricht goede diensten, maar het is een economische noodzaak om het op zeker moment te vernietigen. Daardoor kan het geestesleven worden gevoed, zodat nieuwe en eigentijdse randvoorwaarden voor de samenleving worden geschapen. Hij stelt de economie in dienst van de culturele ontwikkeling van de samenleving. Hij neemt daarmee een standpunt in dat economische wetenschap niet geïsoleerd kan worden van een algehele maatschappijvisie. Een economische wetenschap die louter kijkt naar technisch-economische aspecten gaat aan het doel voorbij.
Geld moet volgens Steiner de werkelijk circulerende waarde representeren. Daartoe moet het, net als de waarde, steeds opnieuw worden geschapen en verslijten. Wanneer dat niet bewust wordt geregeld, dan gebeurt het toch, maar op een ongecontroleerde wijze. Het is in het belang van het economische proces en de ontwikkeling van de samenleving in zijn geheel dat de levenscyclus van geld zo goed mogelijk wordt overeengebracht met de levenscyclus van de circulerende waarden.
Keynes heeft in zijn plan voor de wereldhandel een opmerkelijke overeenkomst met de ideeën van Steiner: randvoorwaarden die de deelnemers er toe bewegen hun 'kapitaal' zoveel mogelijk productief aan te wenden, op straffe van het 'verslijten' van dat kapitaal. Alleen al Keynes' reputatie op het gebied van de economie en deze overeenkomst met Steiner maakt het de moeite waard Steiner serieus te bestuderen.
Het praktijkvoorbeeld van de Triodosbank toont dat het moeilijk is zelfs op bescheiden schaal elementen uit Steiners theorie te realiseren zolang er niet een driegelede samenlevingsstructuur bestaat. Er wordt iets gedaan aan kapitaalvernietiging en het bewustzijn over wat er met het geld en kapitaal gebeurt wordt zo goed mogelijk gewekt, maar het blijft marginaal. De Triodosbank lijkt mijns inziens het zelfde lot beschoren als bijvoorbeeld de biologisch-dynamische landbouw: weerklank te vinden bij een gemotiveerde groep mensen, maar niet een wezenlijke cultuurfactor te worden, zolang de samenleving niet verandert in de richting van Steiners driegelede structuur.
Of die driegelede structuur wenselijk is valt buiten het bestek van deze scriptie.

